LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Aafke van Pelt

24 mrt 2026

Aafke van Pelt (1998) is schrijver, dichter, theatermaker en beeldend kunstenaar. In haar werk onderzoekt ze graag angst, schaamte, monsterlijkheid en vervreemding. Haar werk verscheen eerder bij Kluger Hans, Hard//hoofd, papieren helden, De Optimist en De Gids. Ook is ze vaste schrijver bij het platform Shortreads en onderdeel van dichtersgemeenschap Klinkerbak. In haar vrije tijd bezoekt ze graag oude begraafplaatsen. Aafke zit in het ontwikkeltraject van Wintertuin en gelooft niet in een literaire canon.

 

foto © Gaby Jongenelen

 

botervacht

vanuit thuis laven we ons niet
drinken staand op koude keukentegels glazen bleke ranja
we tafelen niet, dineren in kwartieren
benaderen het maal als hoe de eerste decemberijsbloemen
zich aarzelend aan het restje brak water in het vogelbadje hechten
stil dit met me
we beginnen laag en zoet

een vochtige verwachtingsvolle grond van kruimelende Zwitserse chocolade
een warme vloeibare kern
neem het met scheppen vol, smeer het om je mond en onder je tong
wormen en maden van sponzig marsepein
vraag ze zacht om meer
of ze vanbinnen nog even glucoserijk verder willen kietelen
voor ze zich in de kleur van je lippen nestelen

kauw met bevende kaken met veld omver
het woud in stukken
in het groene hart: gepocheerde asperges met hazelnootcitroenboter
verse spinazie met knoflook en pijnboompitten geroosterd in truffelolie
iets in je groeit met de fondantbloembladen mee
als je au bain-marie wegzinkt in de volle zuivel van matcha-tiramisu

met een muil zo wijd als een vrachtschip drink je de zeeën leeg
de rivieren, meren, gesmolten gletsjers, de plassen op de stoep
laat het doorglijden in je open keel alsof je een oester leeggiet
in het noorden met kaneel bepoederde white russians vol zoete room
in het midden een oceaan van vetgewassen tequila
de nasmaak van kokos en boterkoek blijft spoken
tot de gesuikerde rum van het zuiden
je omvat hoe de waterlelies gevulde vijgenbladen zijn
de parelende kikkerdril als zijdezachte kaviaar
je omvat de wateren van de wereld en het blijkt niet genoeg

met volhongere vingers trek je de peperhoekhuizen om
laat met vloeibare amarettokaramel gevulde flatgebouwbonbons in je mond vallen
ze smelten je keel in
je begraaft je armen tot je schouders in de bergen
ze blijken van fluffy rijst overgoten met gezouten saffraanboter
het vet trok in iedere korrel
jij trekt het een welwillend lijf in

boven je wacht een tot knappen gevulde hemel
lik de laag geharde suiker weg tot de pastelmousse weg dreigt te druipen
schep haar dan met armenvol leeg
tot alleen restjes suikerslagroomwolk de kosmos nog versluieren

dan: wat er nakomt
plakkend van pistachekruimbestrooide baklavahoning
gecondenseerde melk die zich tot karamel liet verleiden
en het weezoete vet van urenlang gegaard buikspek
het kleverige proef-maar-alles op onze huid
is het enkel nog jij en ik
en we smaken eindelijk vol

plakkend van pistachekruimbestrooide baklavahoning
gecondenseerde melk die zich tot karamel liet verleiden
en het weezoete vet van urenlang gegaard buikspek
het kleverige proef-maar-alles op onze huid
is het enkel nog jij en ik
en we smaken eindelijk vol
kookpunt

er staat een blauwe waterkoker in de achterkamer van dit bordeel
blauw als een metaforisch gaslek
strakblauw alsof iemand natte parels op het chroom spuugde
aflikte met geoefende tong
zij, gehuld in een lang-vertrokken dier, vraagt me wat ik horen wil
waar heb je zin in?

hoe te vragen om thee
hoe te vragen om iets als zwart schimmeldons dat je brein rauw rasp-likt
met een dubbele duivelsdronken geitentong
dat we van onze handen scheuren maken
om hitte onze aderen in te sidderen
een samengevouwen ding van pulserend vlees
vierogig tweekoppig onding dat met tienvingerige hand naar binnen keert
hoe te vragen om melk en suiker

thee graag, kurkuma en gember
en onbekende leerachtige vleugels
traphoeven en iets hoornachtigs met kleine ronde richels
geschubd vergaand grijs vel dat van een geraamte druipt
lange meerkotige puntvingers als ribbenkastspanners
die een dreunend hart blootleggen
van gifgroene latex uit een onbekend Duits atelier
maar rooibos is ook prima

een schijfje citroen zou hemels zijn
en onszelf samen de nacht in bidden tot de lucht karmijnrood leegbloedt
dat doen zoals je bidden nu voor je ziet
dat zij me met geleende muil binnenstebuiten scheurt
me tot roze rafels kauwt
haar gebit breekt op mijn bekken
dat we onszelf samen uitbraken met trillende dubbele ruggengraten
in het slakkenslijmspoor vinden we onszelf terug
en de nagels, ogen en punttanden van de onnoembare vreemde
sinaasappel mag ook, of honing

hoe te vragen om een mok in plaats van een glas
of dat iemand je achteloos aan stukken stoot
plek om de keel ter grootte van één bovenaardse hand
de vloer een stenen altaar van gestroopte huiden en klauwstempels
daar de ruwharen staart met zoekende scherpe punt
armen te veel en wervels te lang en naar achter buigende knieën
het plafond een zwavelend zwart gat
ik een zwart gat
ik rammelend hol en dan strak vacuüm getrokken
het idee alleen al!
geen kop en schotel alsjeblieft

thee kan wel, zegt ze
buigt zich naar de knop
wuivend bont kruipt gestaag omhoog en onthult haar dijen rood-achtig
de kleur van passie-achtig
volgens een onbekende zonderling die nog nooit
een blauwe waterkoker zag
muildier

we rollen het licht weer weg
het mag wegstoffen in onze kruipruimtes met de zijdemotten
ik vraag me af waarom dit begin zo anders smaakt
dan dat van de lente
ik krijg geen antwoord ik krijg enkel
mieren in mijn vingertoppen
mieren in mijn neus
de horizon is scheefgetrokken aan een spinnendraad

de natuur ondergaat een kristallisatieproces
op de bodem van de zee ontwarren krabben hun scharen
lopen voor het eerst recht alsof ze schaatsen

op het land een ander breekpunt
want per definitie zou een muildier een muil moeten hebben
zo groot en breed dat het zijn beestzijn ontstijgt
zo ontzagwekkend diep dat ik erin uiteenspat
een muil met rij-rij-rijen aan malende tanden
maar een muildier is een muildier is een muildier
eigenlijk best lief met suikerbroodogen dus waarom die naam
en waarom klinkt ‘huidig’ alsof iets veel huid heeft

deze maand heb ik geen antwoord, geen muil en al helemaal
geen muildier

     Andere berichten

Albert Hagenaars

  Albert Hagenaars is op de eerste plaats dichter maar was ook jarenlang poëzierecensent voor De Haagsche Courant en NBD Biblion. Hij...

Guido De Bruyn

  Guido De Bruyn won najaar 2025 de allereerste Zeppelin Poëzieprijs met stad berrevoesj - een lang hommagegedicht aan Paul van...

Jaap Bos

Jaap Bos (1961) houdt ervan om wat te wandelen, het liefst in de bergen, want dat is goed voor z’n ziel, denkt ‘ie. Hij is een liefhebber...