LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Maarten van den Berg

26 mrt 2026

‘Het leven is fragiel. Alles kan in één moment eindigen. Dat probeer ik te vangen.’

door Mirthe Smeets

 

Maarten van den Berg (1970) is dichter en beeldend kunstenaar (en werkzaam als bronsgieter). Hij woont en werkt in Maastricht. Zijn werk beweegt zich op het snijvlak van tekst en beeld, vaak verankerd in de stad, haar geschiedenis en haar bewoners. Van den Berg publiceerde meerdere dichtbundels en realiseerde tekstuele kunstwerken in de openbare ruimte. 

foto © Felix Baumsteiger

 

Maarten, wanneer begon je met het schrijven van gedichten? 
Ik begon rond mijn achttiende met het schrijven van teksten, op de kunstacademie in Maastricht. Tekst en beeld kunnen elkaar versterken, of ze kunnen juist botsen, merkte ik. Op de academie was destijds nog weinig ruimte voor dat soort dingen en toch kon ik het niet laten om woorden toe te voegen aan dat wat ik maakte. Ik zou die teksten uit mijn academietijd overigens niet per se de naam poëzie geven. Het waren fragmenten, het was het begin van iets. Als ik terugkijk heb ik altijd al veel interesse in persoonlijke geschiedenissen gehad, dat zie je terug in de teksten van toen en nu. 

Wat deed je na de academie? 
Toen ik afstudeerde, had ik geen idee. Ik probeerde van alles: ik deed kroegwerk en had een klusbedrijf dat steeds groter werd. Uiteindelijk werd ik taxichauffeur. Ik kon op die manier voor een stabiel inkomen zorgen om ons gezin met drie kinderen draaiende te houden. Ik werkte 22 jaar in de taxi en daar begon ik écht met schrijven. Eerst uit frustratie: in de loze tijd op de taxistandplaats schetste en schreef ik op een rittenstaten. De schetsen wilde ik meteen uitwerken. Maar ik kon natuurlijk niet schilderen in de taxi. De teksten die ik schreef kon ik steeds weer verbeteren, schaven, veranderen. Tot ik dacht: ‘Oké, dit zou wel eens een gedicht kunnen zijn.’ 

Ben je toen ook meer gaan lezen om je verder te verdiepen in de dichtkunst? 
Juist niet, aanvankelijk. Ik zei tegen mezelf: ik ga voorlopig niks lezen. Ik kende mezelf en dan zou er faalangst om de hoek komen kijken, als ik al die grootheden in mijn achterhoofd had. Grote kans dat ik zou stoppen. Pas na enkele jaren durfde ik grote dichters te lezen. Ik las één bundel per week. Niet te veel, zoals ik als kunstenaar toentertijd bewust maar drie musea per jaar bezocht. 

Miste je de inspiratie niet toen je stopte als taxichauffeur?
Nee, dat werk was puur praktisch. Ik maakte mezelf wijs dat het inspiratie opleverde maar het was vooral wachten tot ik weer verder kon met het maken van nieuw werk. Ik heb 1001 ideeën, mijn hoofd staat altijd ‘aan’. Ik ga nooit op zoek naar ideeën. Het enige wat ik wel doe, is documentaires kijken, dat vind ik vaak inspirerend. 

Waarom schrijf je? 
Het leven heeft totaal geen zin. Maar ik ben er toch, dus doe ik wat ik niet kan laten. Iets dat me bezighoudt. Ik wil dat mijn werk ertoe doet. Stem geven aan mensen die er geen hebben. Strijden voor iets groters dan mezelf. ‘Ik wil niet de boer op met Maarten van den Berg,’ zeg ik vaak. 

Zou je kunnen stoppen met het maken van kunst en poëzie, denk je?
Absoluut niet. In mijn puberteit was ik lui. Nu kan ik niet stilzitten. Echt niet. Ik werk elke dag in mijn atelier aan beelden en poëzie. En ik kan niet meer naar een film kijken zonder iets te typen of te schetsen. 

Wat betekent de stad voor jou? 
Maastricht is altijd aanwezig in mijn werk. Ik kwam hier als achttienjarige naartoe en woon er nu al 38 jaar. Ongewild sluipt de sfeer van de stad mijn werk binnen. Het is de ruimte waarin ik beweeg. De Maastrichtse inwoners herkennen zich erin. Op die manier is de titel ‘stadsdichter’ in de volksmond ontstaan. Ik zie het als een geuzennaam. Een naam die ik overigens een ander ook zou gunnen. Het is niet dat ik ervoor strijd. Maar het past wél bij wat ik maak. 

Hoe werk je? 
Alles loopt door elkaar. Aanstalten tot gedichten leg ik soms weken, maanden weg. Vaak komt uit de rotzooi iets moois. Je moet alles een kans geven. Mijn innerlijke criticus is nodig. Zonder zelfkritiek kan het niks worden. Tevreden zijn over een beginnend gedicht leidt bij mij tot niets. Ik houd van het ambacht bij beeldhouwen, eraan werken tot je moe en stram naar huis gaat, dat gevoel wil ik bij poëzie ook hebben.

Is dat ook waarom je zélf je gedichten aanbrengt in de openbare ruimte?
Ja, dat wil ik graag met mijn eigen handen doen. Letters uitzagen in een betonnen vloer? Daar ga ik geen klusjesman voor vragen. Letters op een vaas? Ik maak ze en pas aan waar nodig. Ik geniet ervan als toeschouwers tijdens het werk op straat dan commentaar geven op het gedicht of de dichter, niet wetende (en soms niet gelovend) dat ik dat zelf ben. 

Wie inspireert je?
Charles Bukowski’s Betting on the muse. Arnon Grunberg, Bij ons in Auschwitz, een hartverscheurend werk. Ik kon soms maar twintig pagina’s lezen, zo intens. Neil Young wil ik genoemd hebben! En de blues, het gevoel en de rauwheid dat het verschil maakt. En: Shakespeare. Ik vind het prachtig: dat werk is tijdloos.

Wat hoop je met je poëzie mee te geven aan de lezer?
Ik wil dat het laagdrempelig is. Iedereen moet het in principe kunnen voelen. Mensen interpreteren anders, dat vind ik mooi. Het diepste van mijn gevoel presenteren en dat anderen daarmee onderweg gaan, dat is wat ik graag nastreef. Het leven is fragiel. Alles kan in één moment eindigen. Dat probeer ik te vangen. Hoop, rauwheid, liefde, humor. Want ja, ik moet vaak lachen om mezelf.

Van welke reactie op je poëzie stond je echt even te kijken?
Bij De ruiters van de stad, mijn eerste openbare gedicht. In de stoeprand van de taxistandplaats zijn de dichtregels te zien. De taxichauffeurs begrepen het eerst niet. Wat betekende het? Waarom stond het daar? Wat moest die gozer hiermee? Ik werkte destijds nog als chauffeur. Na enkele weken zeiden ze: ‘Stoer dat je dat hebt gedaan. En mooi dat je ons beroep zo positief beschrijft, alsof we helden van de stad zijn.’ Toch best mooi. Dat soort momenten… daar doe ik het voor.

Waarom hebben we je nog nooit gezien in een literair magazine?
Ik heb het denk ik drie keer geprobeerd en elke keer moest ik mijn werk op een andere manier aanleveren of hoorde ik niets en strandde het proces, ongeduld van mijn kant. En misschien is het nog niet goed genoeg? Dat is aan een ander om daar iets over te zeggen.

Ondanks het winnen van een Leo Herberghs-prijs twijfel je daar nog aan? Of je goed bent? 
Ja, ik hoop dat mensen geraakt worden, door misschien één zin van al die zinnen die ik schreef. Ik ga er niet vanuit dat dat gebeurt. En ik hecht geen waarde aan het per se horen bij de canon. Ik zal niet snel naast mijn schoenen lopen, dat sta ik mezelf niet toe. Ik wil elke dag mijn beste werk maken en dat lukt elke keer net niet. Het knokken en opstaan, dat is wat me gaande houdt. 

Werk je al aan een nieuwe bundel?
Niet bewust. Maar ik ben altijd bezig. Ik rommel regelmatig wat bij elkaar, dan bel ik mijn redacteur Bas Kwakman en Hennie Jetzes van mijn uitgeverij Azulpress: ‘Heb je nog zin om iets te doen?’ Meestal voelen ze daar gelukkig wel wat voor. 

     Andere berichten

Interview Kris De Lameillieure

‘Ik heb geleerd tijdig de spade neer te leggen voor potlood en een stukje papier’ door Cora de Vos   Kris De Lameillieure (Torhout,...

Interview Petra Talsma

Opletten, er komt een liedje langs. door Alja Spaan   Petra Talsma, Epe (GLD) 1954, studeerde aan de Academie voor Beeldende Kunsten,...

Interview Merlijn Huntjens

Interview Merlijn Huntjens

‘Poëzie staat voor mij aan het begin van alle vormen.’ door Annet Zaagsma   Merlijn Huntjens is schrijver en dichter. In 2016, 2017...