LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Klassieker 299 : C.O. Jellema – Notitie bij een Friese kerkmuur

21 mrt 2026

door Jan Buijsse

Meander Klassieker 299

Jan Buijsse bespreekt het gedicht ‘Notitie bij een Friese kerkmuur’ uit Stemtest (2003), de laatste bundel van C.O. Jellema (1936 – 2003). Hij ziet er hoe de lezer getuige is van een gebeurtenis, die voor de dichter een kort lichtend moment in de tijd is, een ervaring die een eeuwigheid inhoudt.





Notitie bij een Friese kerkmuur


Toen in de Eifel vulkanen uitdoofden,
hun kraters zich vulden met water,
tot tufsteen de lava verhardde,
Batavieren ons land binnenkwamen,
voor handel bevaarbaar de grote rivieren,
hier aan de kust in hutten gewoond werd
van vlechtwerk en leem, een godshuis
voor eeuwig echter gemetseld
om uitzicht op hemel wou zijn en
zeewind en regen geduldig de bouwsteen
uitsleten, blootlegden splinters
basalt, kwartsiet, van het slijkgas
de holten – toen

vond er een plek voor haar nest die
muurbij, wier goudzwart schildje,
kijk, ze vliegt op,
in het zonlicht
nu vonkt.


C.O. Jellema (1936 – 2003)
uit: Stemtest (2003)
uitgever: Querido

Analyse

Wie zich aan een stemtest onderwerpt, wil de kwaliteit van zijn stem weten. Is de dictie voor wat hij wil zeggen voldoende, de geluidssterkte, de juiste intonatie bij het juiste woord, de ademhaling en de rustpunten op het passend moment. “Onderzoek door meting, categoriseering e.d. naar graad en aard van bep. eigenschappen van personen” – in dit geval dus de stem – heet het volgens het WNT. Maar C.O. Jellema’s stemtest meet 12x21x0,4 cm en is zijn laatste bundel, niet lang voor zijn overlijden in maart 2003 verschenen. Jellema onderwerpt zich zelf aan een stemtest, de ultieme in zijn geval. Hij lijkt zijn dichterstem ter discussie te stellen. Het is zeker geen koketteren met het poëtisch oeuvre dat eraan voorafging, her en der verspreide gedichten en zeven bundels, maar de essentie van zijn werk: zo zeker is hij niet van de waarde ervan. ‘woorden op papier / hebben zichzelf geschreven’ schrijft hij bescheiden in een vroeg gedicht – alhoewel dit wel de essentie is van dichten (het modelleren komt later wel). (1)

Een notitie, je schrijft even snel iets op, iets wat je raakt, of wat je niet wil vergeten – later kom je er nog wel eens op terug. Op het eerste gezicht is zo’n genre aanduidende titel, ‘notitie’, een terloopse verwijzing naar een onbeduidend voorval. Ik zal niet zeggen dat de poëzie van Jellema – en ik beperk me nu maar even tot Stemtest – terloops is, integendeel, maar het ontstaat wel vaak uit een momentbeleving waar naderhand mededeling over gedaan wordt, niet voor de lezer maar voor een aangesproken persoon in de nabijheid van een ik. Er is vaak een jij aanwezig of er wordt gerefereerd aan wij. Geregeld levert dat een niet al te uitgebreid gedicht op (maar wel goed lezen), soms een uitgebreider, zoals het gedicht ‘Aurora borealis’ in dezelfde bundel. Jellema’s poëzie is bij uitstek de poëzie van de apostrofe (’apóstrofè’), poëzie met een aangesproken persoon – de lezer is een afluisteraar: het gedicht, de taaleenheid, is niet aan hem gericht, hij is hooguit een getuige met een iets te groot, nieuwsgierig oor. En als je toch staat te luisteren, ben je eigenlijk getuige van een gebeurtenis.

De apostrofe (de aanspreking) en de notitie (het verslag van het korte moment) komen samen in de laatste drie regels van het gedicht ‘(die) muurbij, wier goudzwart schildje, / kijk, ze vliegt op, / in het zonlicht / nu vonkt’. Iemand wordt aangespoord snel te kijken, want het is voorbij voor je er erg in hebt. Dat is de apostrofe: ‘kijk’. De enthousiaste spreker haalt de ander er snel bij, want het moment, ‘nu’, ‘in het zonlicht / nu vonkt’ is zo voorbij. Er is een korte aanloop naar het lichtend moment, het opvliegen van de bij. Hij is wel een kenner want hij weet onmiddellijk dat het een muurbij is, met het goudzwarte schildje. Dat is ook het moment waarop het gedicht, of beter: dat wat erin beschreven wordt, werkelijkheid wordt. Het blijft niet iets op papier in een serie woorden, het gedicht gebeurt.

Maar een notitie is er om uitgewerkt te worden. Dat gebeurt in de eerste strofe; die is afhankelijk van de tweede. Tussen de tweede strofe en de eerste kunnen weken zitten. De kortstondige ervaring leidt niet onmiddellijk tot reflectie erop, het dichterlijk proces komt pas later op gang, schreef Jellema. (2) Zo zal het met een lezer ook zijn. Je leest een gedicht, het intrigeert je, maar wat er nu precies staat en hoe dat ergens in je bovenkamer tot verwoording komt, daar gaat een lang innerlijk proces mee heen. Zo lees ik: het verleden is een langgerekt nu. Als ik de eerste strofe van dit gedicht lees, doe ik daar 33,62 seconden over. De stopwatch in mijn telefoon toont mij dat, terwijl het toch alweer 13.000 jaar geleden is dat in de Eifel vulkanen uitdoofden, en de caldera van de Laacher See ontstond. En wat er daarna gebeurde, het is allemaal geschiedenis, op het eerste gezicht zonder enige causaliteit. En alles gaat langzaam: ‘uitdoofden’, ‘vulden’, ‘verhardde’, ‘binnenkwamen’, ‘voor eeuwig gemetseld’, ‘geduldig uitsleten’, ‘blootlegden’. Aan het eind van de strofe keren we terug naar de uitbarsting, althans, we zien wat fragmenten pyroclastisch materiaal in het tufsteen. De bij het vulkanisch proces vrijkomende gassen – Jellema gebruikt er het woord ‘slijkgas’ voor – worden bij snelle afkoeling van het lava in ruimten ingesloten. (3) En het zijn die holten die hier essentieel zijn.

In Jellema’s visie is er wel degelijk samenhang in de gebeurtenissen. In oktober 1989 hield hij een korte lezing rond het thema ‘De Romantische obsessie’. (4) Hij citeert daarin Goethe: “Elke toestand, ja ieder ogenblik is van oneindige waarde, want het is de representant van een gehele eeuwigheid.” En hij vervolgt (en het is de moeite waard het hele citaat te geven): “Het is een woord dat, ook al leven wij aan de meeste ogenblikken en toestanden voorbij, toch in elk geval geldt voor die momenten die wij, onverwacht, zo intens hebben beleefd, dat zij ons een leven lang bijblijven en zodoende hun oneindige waarde tonen in de betekenis die zij kennelijk bezitten en steeds weer, in de herinnering, aan ons doorgeven, momenten waarin de tijd lijkt te hebben stilgestaan en die juist in hun intensiteit van onverwacht-zijn representant blijken van een gehele eeuwigheid.” De vonk in het zonlicht van het schildje van de muurbij is zo’n representant van de eeuwigheid. Zonder die vulkaanuitbarsting zo lang geleden in de Eifel zou dit moment er niet geweest zijn. Zo gaat een geologische tijd (de vulkaanuitbarsting, het ontstaan van het tufsteen) over in een menselijke (de bouw van het godshuis) doorlopend naar een heden. In het gedicht wordt die samenhang sterk benadrukt door de herhaling van het voegwoord ‘toen’. Wie een mededeling begint met ‘toen’ en na een serie uitspraken eens ademhaalt (de gedachtestreep!) en zijn ‘toen’ herhaalt, suggereert dat wat volgt op hetzelfde moment plaatsvindt. Zo verbindt Jellema de vulkanen van de Eifel met dat ene moment dat gaat komen.

Na een bijzin met ‘toen’ volgt een zg. rompzin, een kernzin, die je overhoudt als de bijzin wordt weggelaten. Die rompzin is de tweede strofe, die echter zelf weer de vorm van een bijzin heeft, ‘toen // vond er een plek voor haar nest die / muurbij’. Dat is een korte tijdlaag, uitgedrukt in ‘vond’. Een plek vinden duurt niet lang. Alleen de voorlaatste regel valt daarbuiten, dat is de apostrofe. Die is zeer kort, ‘vonkt’. Door de herhaling van ‘toen’ aan het eind van de eerste strofe wordt gesuggereerd dat de tijden in de twee strofen samenvallen. Maar tegelijk is er afstand: de witregel geeft die afstand. Het is de holte in het gedicht waaruit iets ontstaat (het woord ‘holten’ staat er niet voor niets vrijwel onmiddellijk voor; de muur heeft meerdere holten maar het gaat om éen holte, namelijk die waarin de muurbij haar nest kon maken en eruit opvloog). De eerste strofe beschrijft een langdurig proces, de tweede strofe een resultaat. Het is verleidelijk hier een intrinsieke beschrijving van het dichterlijk proces te zien, ‘Notitie bij een Friese kerkmuur’ stiekem als een poëticaal gedicht te lezen. Kijk, ze vliegt op, dit gedicht. Om welke kerk het gaat – die van Eanjum heeft veel tufsteen – is niet zo belangrijk. Het gaat om het dichterlijk proces waarin ook splinters moeten worden blootgelegd om tot woorden, zinnen, strofen te worden.

Jan Buijsse

____________________

Voetnoten

(1) In ‘Liefde’, in Maatstaf 8 (1960–1961), p. 826.
(2) Jellema vertelt hierover in een interview in Liter 4 (2001), 20, 2-6
(3) Slijkgas is biogas. Het woord komt in geen enkel ander Nederlandstalig gedicht voor, een hapax. Vulkanisch gas bestaat voor het grootste deel uit waterdamp en verder uit koolstofdioxide en zwaveldioxide.
(4) C.O. Jellema, ‘Zo dom om te geloven’, in Optima 7, 249-252.  De lezingen werden in Amsterdam in De Balie gehouden onder auspiciën van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.

 

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

     Andere berichten