LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Luuk Gruwez – Morren tegen de sterren

1 jun 2026

‘Een alfabet / waarin elk begin, elk einde is ingebed’

door Yvan De Maesschalck



In het Handboek (Poëziecentrum Gent, 2023), verschenen ter gelegenheid van Luuk Gruwez’ zeventigste verjaardag, wijden toonaangevende critici beschouwingen aan diverse aspecten van zijn oeuvre. Meer dan eens wordt gewezen op ‘vergankelijkheid’ als hoofdmotief en de ironische, dan wel melancholische ondertoon van zijn gedichten. In zijn poëzie – maar ook in zijn dagboeken en essays/kritieken – cultiveert hij de ‘conserverende functie van de herinnering’, waarbij hij tegelijk het dichterschap als een ‘heilloze onderneming’ lijkt te presenteren (zie Johan Reijmerink, Handboek, p. 87; Paul Demets, idem, p. 101; Carl De Strycker, idem, p. 110-111). Drie jaar na Balts (2023), een bundel die eens te meer getuigt van uitmuntend vakmanschap, blijken dezelfde motieven aan zet in Morren tegen de sterren.

Gruwez’ nieuwe bundel is opgetrokken uit zes reeksen van ongelijke lengte, al valt er een golvend patroon in te herkennen: drie cycli van tien gedichten, telkens gevolgd door een iets kortere reeks. Die zijn alle strofisch van aard, met een voorkeur voor kwatrijnen, al bevat de bundel ook sonnetten en enkele gedichten met een losstaand eindvers. Een vrij klassiek ogende dichtbundel dus, die doorgaans volgepakte versregels offreert waarin op de tijdelijkheid en futiliteit van het bestaan wordt ingezoomd. Meer dan ooit verkent Gruwez de even paradoxale als onlosmakelijke verstrengeling van geboorte en dood, baren en sterven, ontstaan en ontslapen. Meer dan ooit ‘mort’ hij, om het met de bundeltitel te zeggen, ‘tegen de sterren’. Het gaat daarbij niet zozeer om hemellichamen of lieden die zich sterren wanen (‘befaamde sterren als kompas’) als wel om de primaire bouwstof van elke mens: ‘Geen sinecure is het enkel uit sterrenstof te bestaan’ (in ‘Au bout de la nuit’). Een vers dat de strijd van ‘Tante Niets’ om alles ‘met haar plumeau’ steeds weer ‘te ontdoen van stof’ tot potsierlijke proporties herleidt.

Gruwez zet hoe dan ook alle poëtische zeilen bij om de positie van zijn sterfelijke ik nader te bepalen. Hij omhelst daarbij de paradox als een geliefde stijlfiguur. Zo bijvoorbeeld in ‘Het afgelegene’: ‘Verte is een plek die amper is, waar men / zich meer en meer verliest in nabijheid / naarmate men nadert’. Of in het gerecycleerde, eerder in Dieven en geliefden (2000) opgenomen gedicht ‘Altijd’: ‘De tederdste machines zijn er nodig / om op een mooie dag naar nergens te vliegen’. Het gedicht is, zo leert een aantekening, op het fantasierijke knutselwerk van Panamarenko geïnspireerd. Soms is een wat langer gedicht nodig om iets paradoxaals uit te spellen. Dat is het geval in ‘Herstellers’, waarin de menselijke manie om ‘bijna alles’ te herstellen, botst met het besef ‘dat zij zelf onherstelbaar zijn’. En dus met wat De Strycker ‘dat ene fundamentele defect’ noemt in een recente korte beschouwing bij dit gedicht (in De Standaard, 30 april 2026). Van dezelfde orde is Gruwez’ voorliefde voor het oxymoron. ‘Uur na uur lig ik klaarwakker / in mijn duurzaamste kortstondigheid’, heet het in ‘Bed in Kortrijk’, terwijl de ik in de ‘Pijnkliniek’ de dokter vraagt hem ‘onder geen beding afgrijselijk gezond te maken’.

Zoals in zijn vorige bundels geeft de dichter zich over aan een overvloed aan sonore klankformaties, met een voorkeur voor assonantie, al dan niet vermengd met middenrijm (‘het haast onherstelbare, // het malcontente, maar vruchtbare mankement’; ‘vermoeden is wat moeders meestal doen’; ‘tractoren’ (…) / trekken voren in velden, laten sporen na’) en allitererende woordgroepen (‘pestbare, preconciliair gekapte nonnen’; ‘dieren die hun dierbaarste doden imiteren’; ‘waarom ik, die niet wou weten, wereldwijd weende’). Soms leidt een gedachte tot een spreidstand, bijvoorbeeld wanneer ‘de prenatale hemel’ uit de beginstrofe vertimmerd wordt tot ‘een postume hemel’ in de slotstrofe van ‘Au bout de la nuit’. Voorgaande tegenstelling sluit trouwens mooi aan bij de dilemma’s die in deze verzen opklinken. In ‘Vingers’ is er sprake van ‘hun groeizame gelijk / of ongelijk’ en in ‘Dilemma’ rijst de vraag: ‘wanneer het onkruid fraaier is dan het kruid, wat trek je dan uit’? In ‘Wel of niet’ leidt de aanblik van een overmatig slapende vrouw tot de aan Hamlets bekende monoloog herinnerende levensvraag: ‘ben je er wel of niet’?

Een of ander taalspel is nooit ver weg en daar maakt ook vervaging deel van uit. Een bijzondere variant is Gruwez’ behoefte om te stoeien met onbepaalde voornaamwoorden. Het sterkste exemplaar is ‘Old times’ sake’, dat zo begint: ‘Iets en niets: zij lijken op elkaar, glimlachen, / herkennen elkaar van een zwoele party langgeleden’. En zo eindigt: ‘Iets en niets: niemand ging op zoek naar iets / en een wereldvreemde andere naar niets’. Je zou er een vorm van luchtig nihilisme in kunnen lezen of een verwijzing naar het idee ‘dat alles misschien iets, en misschien niets betekent’, het levensmotto van Christine D’haen (die net als Gruwez de paradox koesterde). Soms is het taalspelige gewoon humoristisch, zoals in ‘Nietje’, dat als volgt besluit: ‘Niets / hield het allemaal samen. Alleen dat vermaarde, // alom verbindende, niettemin nietige nietje’.

Humor is nauw verwant met ironie en daar ontbreekt het vooral niet aan in Morren tegen de sterren. Gruwez houdt ervan te profaneren wat voor lief wordt gehouden en in bepaalde kringen zelfs geadoreerd. Daar hoort ook een ‘Apocriefe autobiografie van J.C.’ bij, waarin Jezus als ‘een soort heiland’ sprekend wordt ingevoerd. En ook God zelf, die in ‘Gelovig gebed’, schijnbaar deemoedig, als volgt wordt toegesproken:

—-       –(…) Heel zijn we natuurlijk nooit,
behalve met een borrel op, altijd op zoek
naar een splinter in een vinger of naar niets,

verkrijgbaar in de droefste kroegen op aarde.
Bovendien, lieve God, begin ik te geloven dat U
amper in Uzelf gelooft. Zo eindeloos bent U
dat U op een baaldag, verdwaald in wat U
zelf geschapen heeft, niets meer onthouden kunt:

hoog tijd voor U om van ons te houden.

Maar evengoed gaat het om lijfelijke zaken, zoals in ‘Grote boodschap’ en in het tweeledige gedicht ‘Lacrimae’, dat een lyrisch aperçu biedt van alle mogelijke tranen ‘uitgestald / in de chicste vitrines van het verdriet’. Daarenboven grossiert Gruwez in zelfspot, zeker als het metier van de dubbende dichter in het vizier komt. In ‘Het lot der ganzen’ presenteert hij het zo: ‘Ik sabbel op een ganzenveer waarmee ik / ze, in pontificaal purper, zoek te omschrijven, / bellen blazend met kauwgom, zeepsop, mijmerij’. In ‘Pijnkliniek’ is nét in het midden van het gedicht sprake van ‘een minzaam / pijnlijk binnenrijm’, terwijl hij in ‘Opstand’ zelfbewust spreekt over dichters ‘met hun doldwaze, intrieste rijmen / pogend te ontsnappen aan de finish, de finale ramsj’.

Een ‘finale ramsj’ hoeft Gruwez niet te vrezen, al heeft deze bundel veel weg van een finale terugblik. Zo is het dubbele openingsgedicht ‘Rare jaren’ overduidelijk retrospectief van inslag: het biedt zicht op wat in die ‘rare jaren’ zoal is misgegaan, waarbij het preteritum (de o.v.t.) het onherroepelijke karakter ervan onderstreept. Het terugblikmoment is dat van de eindstrijd op aarde en presenteert een radicale diagnose, zoals uit de slotverzen van het eerste deel blijkt:

De laatsten op aarde verbaasden zich erover dat zij
er nog steeds waren, machtige, superbe zoogdieren die
in het schattigste deel van de planeet mochten tronen.
Van beteren dan zijzelf hadden zij nooit weet gehad.

Ook kon het ze niet schelen dat barbaren klaarstonden
om te komen, of zij nu gewenst of gevreesd waren.
Hoezo ‘komen’? En wie? De barbaren van Kavafis?
Zij die niet kwamen omdat zij er al waren?

Wij hielden ermee op van geschiedenis te houden.

Dat het om een eindtijd gaat waarin de beschaving van binnenuit wordt aangevreten – zoals in Kavafis’ barbaren-gedicht – komt eveneens aan bod: ‘Toen pas dacht één onder ons, de allerlaatste, dat wereldwijd / de grote vraatzucht begon’. Veel te laat dus, al suggereert ‘begon’ waar het Gruwez om te doen is, met name om een evocatie van (zijn) beginnend leven, dat fataal het einde initieert. Het motief van het begin/de geboorte doordrenkt dat van het einde/afscheid: ze magnetiseren elkaar en vormen ‘een alfabet / waarin elk begin, elk einde is ingebed’. In ‘Voor wie achterblijft’ wordt de levensduur zo samengebald: ‘één geeuw, één zucht, één wind’. Je zou het motief van het einde overigens evengoed dat van de zuchten kunnen noemen, aangezien her en der ‘zuchten’ van allerlei aard worden geslaakt. Zowel ‘de zucht der zuchten’ (in ‘Wenken voor de laatste zucht’) als de ‘Brug der Zuchten’ worden daarbij niet vergeten. En in ‘Reünie’, waarin een denkbeeldige hereniging met de moeder wordt overdacht. Dat laatste gedicht ligt in het verlengde van ‘Geroezemoes in mijn moeder’, waarin een prenatale ruimte vol ‘druppende kranen, ‘geklater van water’ en ‘rare, / ja, nare geluiden’ wordt geëvoceerd.

Er wordt honderduit gemopperd in Gruwez’ gedichten, maar wel op virtuoze wijze. Daarbij blijft de dichter bij de hem vertrouwde motieven en reikt hij de hand aan de artistieke traditie in de ruimste zin van het woord. Knipogen naar of motto’s van Achterberg, Elsschot, Neruda, Céline, Rilke en Picasso passeren de revue. Ze voegen een dimensie toe aan een opulente bundel, in het besef dat niet alles in taal te vatten is. ‘Het onzegbare is niet per se het verzwegene’, zo begint ‘Wat niet gezegd is’, het heerlijke slotgedicht van de reeks ‘Nocturnes’. Daarin confronteert de ik zich met de onwillige lezer en gebiedt: ‘Kijkt u mij aan, raas, / raas’. Hij haalt het iconische gedicht ‘Do not go gentle into that good night’ (1951) van Dylan Thomas aan boord: ‘Rage, rage against the dying of the light’. En voegt daarmee en sourdine een vleugje dichterlijke onsterfelijkheid toe aan verzen waarin de grimmige ‘kortstondigheid’ van het leven de toon zet.
____

Luuk Gruwez (2026). Morren tegen de sterren. De Arbeiderspers, 83 blz. € 19,99. ISBN 978929554299

     Andere berichten

Toon Tellegen – Op mijn tenen

Toon Tellegen – Op mijn tenen

Ik voel het niet door Sander Ausems - - Op mijn tenen is de nieuwste bundel van Toon Tellegen. Eén van velen. Met talloze prijzen...

Laura Mijnders – Tussen vreemden

Laura Mijnders – Tussen vreemden

Hoe ze wortelen door Ellis van Atten - - De tweede bundel Tussen vreemden van Laura Mijnders, pseudoniem van Laura van Meijeren, verscheen...