Gedichten als een slag in het gezicht
door Marc Bruynseraede
–

–
De Luikse, Belgisch-Congolese spoken word dichteres des vaderlands (2024-2026) Lisette Lombé zwaaide af met de bundeling van haar twaalf Franstalige gedichten die ze schreef, als DDV, in de loop van de voorbije jaren. Net als in haar vorige bundel Laaien, laaien, laaien, (Brûler, Brûler, Brûler) die op Meander besproken werd, gaat het hier om striemende, vitalistische teksten met grote emotionele draagkracht en impact.
De confronterende manier van schrijven bij ‘spoken word’ of ‘slamdichten’, zit daar voor iets tussen. De geboorte van dit genre vinden we zo’n zestig jaar geleden. Meer bepaald op 30 juni 1960, toen Patrice Lumumba, de eerste minister van de democratische republiek Congo, zijn vlammende toespraak hield, gericht tot de eigen Congolese bevolking, tot de zwarte aanwezigen. Hij sprak – over de hoofden heen van alle blanken, excellenties, dignitarissen, in smetteloze pakken – met de woorden: ‘Congolais, Congolaises, Mannen en vrouwen van Congo, Strijders voor de vandaag zegevierende onafhankelijkheid, ik groet U, in naam van de Congoleze regering’. Deze tekst was wel niét bedoeld als slamdicht, maar het effect van zijn woorden kwam wel binnen als een dreun die bleef nagalmen. Sindsdien heeft Lumumba met deze speech de status van held bij de Congolese bevolking verworven. Hij vertolkte de opgekropte woede, machteloosheid en gevoelens van verontwaardiging van generaties zwarten, in een opstandige taal, die aankomt als een slag in het gezicht. Slam-poëzie avant-la-lettre.
Het loont de moeite de tekst van deze toespraak integraal te lezen. Op internet is een Nederlandse vertaling van de toespraak van Lumumba te vinden. In het Frans krijgt deze speech een nog opzwepender karakter. De uitgetikte kopij met handgeschreven verbeteringen maakt de inhoud van de tekst nog indringender. Ik verwijs hiernaar omdat in de vorige bundel van Lisette Lombé het gedicht staat ‘Qui oubliera ?’ (Wie zal vergeten?) dat een rechtstreekse verwijzing is naar de speech van Lumumba, waarin, als in een litanie, zes keer dit citaat wordt aangehaald om een opsomming te geven van alle kommer en kwel, slagen, beledigingen en vernederingen, die duizenden en duizenden zwarte slaven hebben moeten ondergaan gedurende vele jaren. In de handgeschreven correcties zijn de woorden ‘Qui oubliera?’ vervangen door ‘Nous avons connu’. (Wij hebben gekend), wat de uitspraak nog sterker persoonsgebonden maakt.
Bij Lisette Lombé dient ‘Qui oubliera’ om de minachting en de ongelijkheid ten aanzien van gekleurde medemensen aan te klagen. Het is een thematiek die toch zeer actueel is en die haar niet loslaat, omdat ze er blijvend mee geconfronteerd wordt. Getuige daarvan het gedicht ‘Congo’, dat in de bundel met twaalf gedichten is opgenomen:
–
Congo-lijkenhuis,
Hoeveel levens in ruil voor een ton coltan of koper ?
Hoeveel kinderjaren in je wonden onder de blote hemel ?
Congo-ratelzang,
Voor wiens voeten moet je knielen om vrede–af te smeken
wanneer de goden zelf hinkelen met de leiders en aandeel-
houders van de planeet poen ?
Congo-chaos,
En wat als het menselijk gezien onmogelijk is te huilen
om meerdere volkeren die tegelijkworden uitgeroeid? Ik
bedoel: met dezelfde razernij. Ik bedoel: zoveel jaren aan
één stuk. En wat als onze harten al te zeer met onrecht
worden doorzeefd? In onze wijken, in ons dagelijks be-,
staan in het slik van onze verkiezingen. En wat als net de
zeldzaamheid van gedocumenteerde beelden ons belet in
actiete komen? Schreeuwende schimmen, vage contouren
van het lijden, knekelakkers overwoekerd door wouden.
–
—– Zo weids, je tropische woud.
–
Congo, Congo, ik stel je die vragen om de zin nog even
uit te stellen waarin je moet toegeven dat de dood van een
Zwarte nog altijd minder raakt dan die van iemand
met een lichtere huid.
–
—- –Altijd weer het excuus van de afstand,
—- –Altijd weer de machete van de barbaarsheid
—- –altijd weer de stammenstrijden,
—– altijd weer opgeruimd staat netjes.
–
Congo, je bent het koudvuur en de kracht,
het schandaal en het zaad.
Je bent molik en blitse bodem, –
heimwee naar luipaarden en de sappige mango van de
plantrekkerij.
Getatoeëerd op mijn gezicht
ben je mijn harnas en mijn naakte geheim.
Congo, ik wil rillen van de kou op je hoogste berg, in de
te lichte kledij van de domkop die niet weet dat het ook
in Afrika sneeuwt.
Mijn tong uitsteken. De vlokkige hostie proeven.
–
Opdat mijn machteloosheid me zou worden vergeven.
En dat ik door de schok van de onschuld en van de rust
—– eindelijk mijn telefoon los zou laten
—- –die dronken is van mineralen
–
Verbrande hand,
bevroren hand,
van de wereld
afgesneden hand.
–
—– En opdat zo ver het oog reikt,
—- –vulkanen,
—– melkwit licht
—– en nergens nog een mens.
De koloniale geschiedenis van Congo en wat zij heeft nagelaten in de geesten, heeft al veel inkt doen vloeien, maar is in de bundel van Lisette Lombé maar één van de twaalf gedichten. De overige gedichten handelen over:
– armoedige voetballertjes waarvan, onder het voetbalshirt, de schreeuw zijn stem zoekt,
– of we dezelfde taal spreken als we het hebben over immigratie, integratie en diversiteit,
– hoe een moeder haar zoon troost die liefdesverdriet heeft en hoe de liefde na de liefde komt,
– over de 25.000 mensen in Wallonië die, door de nieuwe regeringsmaatregelen
hun werkloosheidsvergoeding verliezen en op straat staan zonder inkomen,
– en hoe bij nacht, vrouwen die vechten, het recht hebben niét te vechten in hun slaap.
Het zijn, stuk voor stuk, thema’s die uit het leven en de actualiteit gegrepen zijn en waarvan de zegging, door de emotionele geladenheid, met grote impact bij de toehoorder overkomt. De vertaling in het Nederlands doet helaas bij tijd en wijle afbreuk aan de oorspronkelijke tekst. Zoveel van de klank, het ritme en de elegantie van de taal gaat in het Nederlands verloren. En dat is zonde. Niettemin is dit een bundel die het avontuur van de lectuur ten volle waard is.
____
Lisette Lombé (2026). Et nos poèmes resteront émeutes / En onze gedichten blijven oproer. Vertaald door Katelijne De Vuyst & Christina Brunnenkamp. Uitgeverij Maelström/PoëzieCentrum, 112 blz. € 15.00. ISBN 9782875055514



