LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Klassieker 302 : Miriam Van hee – Mummie

20 jun 2026

door Joost Dancet

Meander Klassieker 302

Joost Dancet bespreekt het gedicht ‘mummie’ uit de bundel voor wie de tijd verstrijkt (2022) van de Vlaamse dichter Miriam Van hee (°1952) over een wel bijzonder museumbezoek. Schoonheid en dood, eindigheid en eeuwigheid lijken elkaar hier wel te omhelzen. Kan een gedicht even memorabel zijn als het museumbezoek zelf? 

mummie


eens per maand wordt hier in het museum een prinses
tentoongesteld, vandaag is de verkeerde dag, ze kan
geen licht verdragen, zegt de gids, ze leefde in de ijzertijd
je kunt haar op een foto zien, niets vorstelijks, een schedel, 

tanden, maar op hand en schouders heeft ze tekeningen
van een springend hert en op haar vingers vogelveren,
schoonheid heeft haar niet gered, ijs heeft haar voor ons
bewaard, ze kon spreken met de doden en de goden, ze is 

bezweken aan de ziekte die wij nog steeds vrezen, dat
schept een band, ze schonk ons iets wat blijvend was,
een handtekening, het volstond, heeft ze gedacht, om 

vleugels op je huid te tekenen en je vliegt, de tijd gaat vlug
de gids spreekt van het sluitingsuur, het schemert buiten,
wij stappen in geronnen sneeuw, wij komen niet terug 



Miriam Van hee (°1952)
uit: voor wie de tijd verstrijkt (2022)
uitgever: De Bezige Bij

Analyse

Reizen is een thema dat vaak terugkomt in de gedichten van Miriam Van hee (°1952). In haar meest recente, elfde bundel voor wie de tijd verstrijkt is het niet enkel de titel van de tweede van in totaal vier afdelingen. Ook in de eerste, titelloze afdeling bevindt haar dichterlijk ik zich o.m. aan de Opaalkust; in de Cevennen; in een trein op weg naar het zuiden; in de auto op de terugweg naar de stad waar zij woont … En het decor van de gedichten in de derde afdeling — zegt de titel — zijn de Ardennen.

In het gedicht ‘mummie’ uit de afdeling ‘reizen’ is het dichterlijk ik in een naamloos museum waar een eeuwenoude mummie van een prinses te zien is. In de aantekeningen achteraan in de bundel blijkt dat het museum en de prinses echt bestaan.

mummie:
archeologische vondst uit 1993 in de Altaj (Zuid-Siberië) en nu tentoongesteld in de stad Gorno-Altajsk. De gemummificeerde vrouw (ook de Oekok-prinses genoemd) dateert uit de 5e tot 3e eeuw voor onze tijdrekening. Ze vertoont enkele goed bewaarde tatoeages op haar huid.

Zo is het maar een koud kunstje om online foto’s, video’s of aanvullende info over deze mummie te vinden.

Dat de inspiratie voor dit gedicht geen toevallige Wikipedia-pagina of YouTube-filmpje was, maar een daadwerkelijk museumbezoek zal je na het lezen van dit gedicht wellicht niet verwonderen. Maar misschien ben je wel verrast door de ongewone locatie: het verre Siberië. Een reis die de dichter, zegt ze in een interview, ondernam vóór corona (2020) en dus ook vóór de inval van Rusland in Oekraïne (februari 2022). Haar bijzondere interesse voor de Russische cultuur hoeft dan weer niet te verbazen. Van hee studeerde slavistiek, doceerde lange tijd Russische literatuur en grammatica, en vertaalde daarnaast heel wat Russische poëzie.

Belangrijker dan de feitelijke achtergrondinformatie over Miriam Van hee, het museum en de prinses, is de vraag waarom zij als dichter voor dit specifieke museumbezoek koos. Wat deed dit bezoek met haar? Hoe probeerde ze die ervaring in woorden te vatten en welk effect heeft haar gedicht op ons, lezers?

Het taalidioom dat Van hee hanteert, klinkt eenvoudig, zelfs alledaags, maar toch merken we vanaf de eerste oogopslag dat we geen verslag of dagboeknotitie te lezen krijgen, maar poëzie. De tekst werd door haar immers zorgvuldig verdeeld in vier strofen, met verzen van min of meer gelijke lengte: eerst twee kwatrijnen, daarna twee terzinen. Op die manier lijkt het gedicht zelfs op een klassiek sonnet (maar dan zonder rijm en vast metrum). Door die versvorm wordt zowat de helft van de regels afgebroken op een plaats waar er geen natuurlijke pauze in de zin is, wat dan telkens een zekere spanning teweegbrengt, zeker bij eerste lezing. Of hoe Van hee het doodgewone toch ongewoon en bijzonder doet klinken. Verzen 1, 2, 5, 7, 8, 9, 11 hebben zo’n enjambement dat ons zo trager en bedachtzamer doet lezen. De enjambementen op regel 8 en 11 vallen daarbij extra op omdat de volgende regel ook een nieuwe strofe inluidt — ik kom hierop terug. Dit gedicht heeft verder, zoals alle gedichten uit de bundel, geen (begin)hoofdletters, geen (eind)punten — nog een manier waarop de woorden en zinnen zich lijken los te willen zingen van de dagdagelijkse taal.

Hoewel het bezoek in het verleden plaatsvond, gebruikt Miriam Van hee de onvoltooid tegenwoordige tijd. Hierdoor lijkt het alsof de gebeurtenis zich nu (‘vandaag’) afspeelt, als het ware voor haar (en onze) ogen. In de eerste strofe bekent het dichterlijk ik eerlijk dat ze op het verkeerde moment in het museum is, ze ziet de prinses zoals ook wij haar hierboven kunnen zien — op foto of reproductie, niet in levenden lijve (sic). Op het eerste gezicht is er zelfs ‘niets vorstelijks’ aan haar te bespeuren — ze lijkt een gewone sterveling. Wat onmiddellijk bevestigd wordt: ‘een schedel, // tanden’.

In de tweede strofe wordt het ongewone aan deze mummie wel in de verf gezet. Letterlijk, ook, want op haar huid zijn tekeningen te zien van dieren: een — springlevend — ‘springend hert’ en ‘vogelveren’. Onmiddellijk gevolgd door de laconieke tegenstelling ‘schoonheid heeft haar niet gered, ijs heeft haar voor ons / bewaard’. Zonder veel pauze start in hetzelfde vers een nieuwe, voor de ik blijkbaar opvallende tegenstelling. Doordat ze zo mooi bewaard is gebleven (van ‘de ijzertijd’ tot nu — algauw 2500 jaar!), kon ze al die tijd ‘spreken met de doden en de goden’ — op zich ook een mooie contraststelling, onderstreept door de klankovereenkomst van de woorden, maar dat mooie staat in scherpe tegenstelling met het feit dat ‘ze is // bezweken aan (een) ziekte’. Door het enjambement zijn we in de volgende strofe belandt:

In de derde strofe komen we niet te weten aan welke ziekte ze is gestorven, maar wel dat het ‘de ziekte’ is ‘die wij nog steeds vrezen’. Kanker(1)?  Net dat brengt die mummie, die prinses erg dicht bij de dichter (en ons?) vandaag: ‘dat schept een band’. Let op de ‘wij’ en ‘ons’ in deze en vorige strofe waarmee de dichter haar lezers en toehoorders hier mee in de ervaring wil trekken. Wij kregen van haar ‘iets wat blijvend was’ — iets dat onvergankelijk is. De dichter noemt het ‘een handtekening’ — iets heel persoonlijks, iets unieks, iets van haarzelf. Maar wat dat is, dat komen we pas te weten in de laatste strofe. Of hoe de dichter dankzij een allerlaatste enjambement opnieuw een mooie cliffhanger creëert: ‘om …’

In de laatste strofe blijkt de dichter ervan overtuigd dat de prinses de wens had om te vliegen: te vliegen naar een ander, een eeuwig leven, haar hiernamaals? Het ‘volstond, heeft ze gedacht’ om haar huid te beschilderen. Geruststellend (bij)geloof, toch, voor wie dodelijk ziek is? Het ‘springend’ paard en de ‘vogelveren’ van de tweede strofe worden hier de metaforische ‘vleugels’ waarmee ze ‘vliegt’.

Het contrast met de werkelijkheid van het bezoek kan niet groter zijn. Het museumbezoek blijkt ten einde (tempus fugit. de tijd vliegt), ze moeten naar buiten (‘het sluitingsuur’), het is bijna donker en er moet sneeuw worden overwonnen. Verwijst ‘geronnen sneeuw’ (sneeuw die door dooien en weer bevriezen zijn luchtige structuur heeft verloren) subtiel naar de opwarming van de aarde die een bedreiging vormt voor andere, soortgelijke mummies?

De dichter sluit het gedicht even laconiek en eerlijk af zoals het gedicht opende: het dichterlijk ik en haar gezelschap zullen het museum niet meer opnieuw bezoeken, ook niet op die ene dag in de maand, dus, dat de prinses uitgestald staat.

Dat die prinses ‘vleugels’ heeft, is een metamorfose die Miriam Van hee nauw aan het hart moet liggen. Dat valt in elk geval de lezers van deze bundel op. In de gedichten in voor wie de tijd verstrijkt duiken nogal wat vogels op: ‘merel’, ‘pimpelmees’, ‘vink’, ‘roodstaart’, ‘kwikstaart’, ‘kauwen’, ‘eenden’, ‘nijlganzen’ … Mensen worden ‘vleugellozen’ genoemd in het gedicht ‘quarantaine — 1’, vogels ‘de gevleugelden’ in het gelijknamige gedicht. Niet dat de dichter zoals haar ‘prinses’ zelf wil vliegen. Daarvoor is zij — het zal je niet verwonderen na dit gedicht — te realistisch, te nuchter. Ze bekijkt die gevleugelde dieren telkens met een enigszins verbaasde, verwonderde blik. In het gedicht ‘de kwikstaart’ luiden de laatste twee strofen (opnieuw terzinen van een would-be sonnet):

In ‘mummie’ heeft een museumbezoek de dichter, voor wie de tijd verstrijkt zij was 70 toen haar bundel verscheen —  zij was 70 toen haar bundel verscheen — en misschien ook ons heel dicht bij de dood gebracht. Werd het jou ook wee te moede, omdat de ‘prinses’ toen, eeuwen geleden, bezweek aan dezelfde ziekte die ook vandaag nog zovele levens eist? Of is de dode prinses ons toch vooral naderbij gekomen omdat wij — net als de dichter — verwonderd zijn, dat ook toen, eeuwen geleden, mensen tattoos op hun lichaam tekenden? En welke! Schoonheid en dood, eindigheid en eeuwigheid lijken elkaar hier wel te omhelzen. 

Dat het gedicht de uiterlijke vorm van een sonnet heeft, is misschien niet zomaar een toevallige dichterlijke inval. In een sonnet is telkens een contrast, een innerlijke wending, een volta te vinden. Dit gedicht wemelt van de contrasten: een museum bezoeken met een unieke mummie in de collectie, maar niet op de juiste dag; de mummie die vroeger een prinses was, maar nu ‘niets vorstelijks’ meer uitstraalt; niet de schoonheid van haar tatoeage, niet het geloof dat eruit spreekt heeft haar ‘gered’, maar het toevallige ijs dat haar bedekte. De dichter sluit haar sonnet eigenlijk ook af met een subtiele pointe die spits, laconiek en dubbelzinnig onze sterfelijkheid in de verf zet: ‘wij komen niet terug’. Dat slaat niet enkel op de ik en haar gezelschap die dit museum en die mummie niet meer zullen bezoeken, maar herinnert de lezer ook aan het onverbiddelijke lot van ons allen, voor wie de tijd verstrijkt.

Joost Dancet
met dank aan Marianne, telkens opnieuw mijn eerste kritische lezer.

Bronnen en verder lezen

  • De onderstreepte woorden in deze analyse zijn hyperlinks die verwijzen naar bronnen en extra achtergrondinformatie.
  • Voor meer context verwijs ik graag naar de informatiepagina die ik heb samengesteld voor mijn poëzieleesgroep: Miriam Van hee, ‘voor wie de tijd verstrijkt’

Voetnoot

(1)
Op VRT NWS komen we te weten dat de jonge vrouw (ze moet nog geen dertig zijn geweest) hoogstwaarschijnlijk is bezweken aan borstkanker. Iets wat misschien een nog nauwere ‘band schept’ wanneer je, zoals de dichter, een vrouw bent. Ik schreef ‘Kanker?’ — is dat omdat ik zelf de diagnose endeldarmkanker kreeg meer dan twintig jaar geleden? Of maakt zowat elke lezer spontaan die associatie?


 

 

Meander Klassiekers
In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.
Reageren op deze bespreking?
Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)
Zelf een bijdrage leveren?
Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

     Andere berichten