‘Ik wilde die vreemde mengeling van tonen in mezelf verkennen’
door Cora de Vos
Annelies Verbeke (Dendermonde, 1976) schrijft vooral proza en theaterteksten. Ze schreef de romans Slaap! (2003), Reus (2006), Vissen redden (2009) en Dertig dagen (2015),
de verhalenbundels Groener gras (2007), Veronderstellingen (2012), Halleluja (2017) en Treinen en Kamers (2021). Ze won literaire prijzen zoals de F. Bordewijk-prijs, de NRC Lezersprijs, de Opzij Literatuurprijs en de J.M.A. Biesheuvelprijs. In 2022 kreeg ze twee oeuvreprijzen: de Ultima voor de Letteren en de Janna Beranovaprijs.
Als theaterauteur schreef ze verschillende teksten voor acteurscollectief Wunderbaum en andere gezelschappen in Nederland en Vlaanderen. In 2025 ontving ze de Toneelschrijfprijs voor Wunderbaum speelt live (online gaat het mis). Begin 2026 verscheen haar poëziebundel Charmolypi (uitgave De Geus).
foto © Rebecca Fertinel
Je verraste dit jaar met de gedichtenbundel Charmolypi, je poëziedebuut. Was je toe aan iets nieuws in je werk; betekent deze uitgave voor jou een nieuwe wending?
Ik was van plan terug te keren naar een roman die ik was beginnen te schrijven, toen ik dat proces moest onderbreken voor twee aangenomen theateropdrachten. En toen die achter de rug waren begon ik enigszins tot mijn eigen verbazing gedichten te schrijven en wilde ik daar toch liefst eerst mee verder. Ik beoefende sinds mijn debuut in 2003 verschillende genres; ik hou van die variatie, ook als lezer. Het is in die zin dus niet zo verwonderlijk dat ik nog een nieuw genre verkende. Ik ben van plan al deze genres te blijven beoefenen.
In 2013 bracht ik met Klaas Verplancke Tirol Inferno uit, een novelle in jambische pentameters en rijm. Dat kreeg toen een mooie bespreking in de Poëziekrant, en die vorm heb ik ook voor een kort verhaal en een theatertekst gebruikt. De gedichten in Charmolypi kwamen voort uit een behoefte aan nog een nieuwe vorm om mezelf uit te drukken. In het jaar waarin ik vijftig werd zocht ik een manier om over mezelf te schrijven. Ik wilde de vreemde mengeling van tonen in mezelf verkennen, enerzijds het gevoel ‘vastgelopen’ te zijn aan het einde van een grote uitputting, anderzijds een verhoogd bewustzijn. Een eigenaardige mengeling van afstand en nabijheid, mist en intense precisie, geborgenheid en bevreemding. Daar had ik de poëzie voor nodig.
De betekenis van het woord Charmolypi wordt uitgelegd als het Griekse woord voor het gevoel van vreugde en verdriet tegelijk. Waarom koos je voor dit woord?
Naast die andere vermengingen, raakten ook intens verdriet – vooral in samenspraak met verlies en rouw – en een vergrote appreciatie voor wat rest nogal in me verweven. Ik denk dat – naast leeftijd en hormonale omwentelingen wellicht – de apocalyptische sfeer waarin de ruimere wereld verkeert er ook mee te maken heeft.
Ik heb een innige band en lang verleden met enkele Griekse vrienden en heb sinds het jaar 2000 veel tijd doorgebracht in Griekenland. Ons gedeelde verleden en heden zijn verbonden met dit gevoel, charmolypi, omdat we contact houden en samen ouder werden, samen mensen verloren, er samen nog zijn, mooie herinneringen enkel nog herinneringen zijn. Ze waren enthousiast over de keuze van deze titel, trouwens. Ik hou van woorden die enkel in één taal bestaan. En de Griekse taal kan ik sowieso niet neutraal aanhoren.
De Soemerische godin Nisaba is de hoofdpersoon van de gedichten. Nisaba is de godin van de vruchtbaarheid, het graan en het schrift. Kunnen we haar zien als een alter ego van de auteur?
Jazeker. In verschillende van mijn prozawerken (in Halleluja, Dertig dagen, Treinen en Kamers, enkele losse verhalen) duikt mijn alter ego ‘de auteur’ op. Ik ontdekte haar toen ik mijn korte verhaal Woonplaats schreef als Citybook voor deBuren, in 2013, en vond dat heel bevrijdend: ‘de auteur’ is ik maar niet ik, met speelse metaforen benader ik mezelf, plaats ik mezelf in situaties waarin ik niet echt heb vertoefd, die ook niet ‘echt kunnen’ (zoals wanneer de auteur in een beer verandert of bezoek krijgt van Goethe en Thomas Mann). Zeker raakte ik met ‘de auteur’ ook al een donkerdere zijde van mezelf aan, maar Nisaba had ik nodig voor die meer recente gemoedstoestand, die ik zonet beschreef.
Hoe kwam je op het idee van de Soemerische Nisaba als hoofdpersoon? Is er een verband met Treinen en Kamers waarin je De verheerlijking van Inanna door de Soemerische Enheduana verwerkt? Ik las in een interview dat je veel steun vond bij Enheduana toen je even in een dip zat. Wil je daar wat meer over vertellen?
Ik ontdekte Enheduana in 2016 door de wetenschapsreeks Cosmos van Neil deGrasse Tyson. Hoezo wist ik dit niet: de eerste ons bekende auteur was een vrouw die leefde in het huidige Irak? Ik ging de vertalingen van haar werk met duiding van Betty de Shong Meador lezen, later die van Sophus Helle.
Veel van haar gedichten grijpen me aan, en dat vond ik heel ontroerend: een collega die aantoont dat die literaire wereld zeker niet ‘van nature’ een mannenwereld is, en wier gekerfde verzen 4300 jaar later zo nabij kunnen voelen. Bij alle lezingen die ik sindsdien gaf (veel) vroeg ik mijn publiek wie Enheduana kende. Nooit ging een vinger de lucht in, tenzij ze haar intussen via mij kenden. Soms zag ik ongeloof op de gezichten. Met veel bombarie kondigt Salman Rushdie nu aan dat hij een roman over Enheduana aan het schrijven is. Wellicht wordt zij dan bekender.
Nisaba als Soemerische godin van het schrijven wordt door Enheduana en andere Mesopothamische auteurs aangeroepen om haar zegen te geven over het werk. Ik heb dat als moto voor Treinen en Kamers gebruikt, waarin elk verhaal een andere klassieker uit de wereldliteratuur als inspiratiebron heeft. Door mijn alter ego Nisaba te noemen verwijs ik enerzijds naar het enorme belang van literatuur in mijn leven, anderzijds is dat alter ego niet gevrijwaard van menselijk getob. Ik exploreer zo denk ik ook wie zij is buiten het schrijven.
Je plaatst Nisaba in deze chaotische tijd waarop ze zowel met spot als met mildheid reageert. Je stipt onderwerpen aan als klimaat, maar ook mansplaining… Wilde je de lezer van Charmolypi op het gebied van man-vrouwverhoudingen een boodschap meegeven? Of ging het je vooral om de absurditeit van de moderne levensstijl met blauwe bessen, bonuskaarten en vragen aan AI?
Ik heb nog nooit geschreven om mensen een boodschap mee te geven. Het gaat altijd om hoe ik de – in mijn ogen absurde – werkelijkheid ervaar. Wanneer dat resoneert bij mensen, wanneer ze er steun of herkenning of plezier uit putten, dan voel ik me begrepen. Dat sommigen er iets van leren kan ook, maar iemand iets leren is nooit mijn opzet bij het schrijven.
Je bent lid van het collectief Fixdit en een van de schrijfsters van het manifest Optimistische woede met als ondertitel Fix het seksisme in de literatuur. Heeft Nisaba raakvlakken met dit onderwerp? Ondanks alles constateert ze in het laatste gedicht: ‘Je mag spijbelen van de ademworkshop want je kunt het zelf’. Ze is een sterke vrouw toch, met voldoende zelfvertrouwen?
Ik ben sinds april 2024 geen lid meer van Fixdit maar heb er veel geleerd door het maken van de Fixdit podcast: moderne klassiekers, die ik samen met initiatiefneemster Jannah Loontjens heb gemaakt.
Ik vind het begrip ‘sterke vrouw’ wat irritant. Mensen zijn niet enkel of niet voortdurend ‘sterk’ en ‘sterk’ kan ook verschillende, context gebonden invullingen krijgen. Los daarvan: ik bevind me niet in de meest zelfzekere fase van mijn leven. Het heeft geen zin daar boos over te worden op mezelf. ‘Keep calm and carry on’, lijkt me een beter advies. En vier jaar geleden ben ik weer begonnen met dansen, waar ik ook soms onzeker over kan zijn, maar dat helpt toch.
De podcastreeks met Jannah Loontjens gaat over moderne klassiekers geschreven door vrouwelijke auteurs. Had jij al jong een schrijfster als rolmodel of ben jij een van diegenen die vroeger vrijwel alleen boeken van mannen lazen, bijvoorbeeld door de destijds voorgeschreven leeslijst op school?
Ik hield enorm van Sue Towsend, met The Secret Diary of Adrian Mole, Aged 13 ¾, die ik ontdekte toen ik 11 of 12 was. Op de leeslijsten voor Nederlands stonden inderdaad vrijwel enkel boeken van mannen. Ik heb tot een jaar of zes geleden elk jaar veel meer werk van mannen dan van vrouwen gelezen, vooral op het gebied van proza. Wat poëzie betreft meer werk van vrouwen, denk ik, dat turfde ik nooit. De podcast maken was voor mij ook een inhaalbeweging.
Zelf heb je vermoedelijk weinig te klagen over je plaats als vrouw in de literatuur, je won belangrijke literaire prijzen. Hoe staat het nu voor jou persoonlijk met de ‘optimistische woede’ over het seksisme in de literatuur? Valt er nog veel te ‘fixen’?
Tegenover elk succes heeft altijd zoveel haat gestaan. De inzet en tijd die sommigen investeren om je het leven zuur te maken, je houdt het niet voor mogelijk. Net als vrouwelijke politici hebben schrijvende vrouwen daar meer mee te maken dan schrijvende mannen, al zijn die laatsten er niet van gevrijwaard. Of we net als de vrouwen uit het verleden uit de literatuurgeschiedenis geschreven zullen worden, dat zal te toekomst moeten uitwijzen.
Je hebt al zoveel geschreven en gemaakt, kortverhalen, romans, gedichten, theaterteksten, podcasts – is er een gebied dat je nog wilt ontdekken? Een libretto wellicht? En smaakt Charmolypi naar meer; werk je misschien al aan een tweede poëziebundel?
Ik hoop vooral dat ik kan blijven schrijven, dat het blijft komen, en graag in al die verschillende genres. Of er nog iets anders op mijn pad komt, laat ik graag afhangen van wat mij vindt. Nu wil ik eerst de roman waaraan ik bezig ben voltooien.
Drie gedichten uit haar poëziebundel
–
Met een beleefde lipkramp glipt ze de goedgevulde zaal uit
– Dank voor de dankbare appreciatie dank u wel
en mijn verontschuldigingen bij voorbaat voor het geval dat –
langs het tafeltje met de drie lege stoelen en de ontwijkende blik,
langs de lokale zenders, het rieten laarsje en de potentiële faux pas
het woud in.
–
Weg van de stationshallen waar niet iedereen mag slapen.
Weg van de impasse, de modus vivendi en de smerigste slachters.
Weg van de trapgrap en wat ze beter niet.
Weg van de ketting van neerkijkers en de ketting van gapers.
Weg van alsmaar weer haakjes tussen haakjes.
Weg van de walg
naar de weldaad.
–
Wat een woud! Ze is er weg van!
–
Het mensloze woud vult haar longen met geur.
Het mensloze woud bedekt haar zweet met woudstof.
Het mensloze woud kleurt haar bloed donkergroen, bijna zwart.
Het mensloze woud hangt haar stappen aan hyfen.
Het mensloze woud laat haar steeds hoger hijgen.
Het mensloze woud neuriet in haar beenmerg.
–
Tot ze heester
Tot ze schors is.
Tot ze weg is.
–
–
–
–
Nisaba mijmert over een andere boeg
–
Ze zou truffelkweker kunnen worden,
koortsige pogingen ondernemen
tot woestijntruffels in klei,
om haar wil te voeden, te leiden
tijdens haar doortocht naar de Beloofde Dimensie.
–
En dan, na berooide jaren van geheimhouding
weer een andere boeg, niet anders kunnen.
Als een schimmel die op rondwormen jaagt
uit gebrek aan plantaardige materie.
In leven blijven, maar hoe.
–
Truffelstroper worden en bedrog plegen,
minderwaardige truffels injecteren met de geur van kassa.
Fortuinen binnenrijven, de markt domineren.
Truffelhonden van rivalen vergiftigen.
Ermee wegkomen, maar hoe.
–
Nee, dan liever deze vertraagde ruimte voor training
in de grammatica van bezieldheid.
–
Instemmend zinken
Verleidelijk geuren
Nestelen
Truffelen
–
–
–
–
Fuga
–
Hoe deze kuil verdwijnt en weer verschijnt
als doodlopende tunnel als suikerhuis
in onweer, zangeres buiten bewustzijn
vergeten door haar band.
Hoe meerstemmig deze stilte
hoe bereid tot in de rede, imitatie herhaald
in graven, suikerhuizen, op de bühne
herhaling onvoltooid.
Achter eenvoudige deuren in gangen op bovenverdiepingen
wachten kroonluchterrestaurants wachten
obers met volgt u mij kijkt u eens terwijl u dooft
een lange weg een cul-de-sac.


