LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Margreet Schouwenaar – Route K

28 okt 2026

Door lijfliefde en dodelijke bestraling heen

door Johan Reijmerink

–

–

Margreet Schouwenaar debuteert in 1991 met enkele gedichten in Revisor. In 1992 komt haar eerste bundel De drempel die vertrek is uit bij Querido. In de jaren negentig verschijnen er nog enkele bundels bij Querido, zoals Bezijden tijd, Talen naar de Val en Valtijd. Haar poëzie publiceert ze in diverse tijdschriften. Naast dichter is ze ook schrijver van kinderboeken. In 2009 volgt ze Joost Zwagerman op als stadsdichter van Alkmaar. Net als F. Starik heeft ze in Alkmaar een dichtersgilde De Eenzame Uitvaart opgericht. In 2016 komen haar tot dan toe verzamelde gedichten Woorden op zinnen gezet uit. Veel gedichten gaan over haar poëtica, waarbij het dagelijks leven veelal uitgangspunt is. De natuur is daarin voor haar als een spiegel van het gemoed. Ze zoekt veelal houvast in het steeds veranderende leven. Ook in haar nieuwste bundel Route K (2026) zoekt ze dat houvast door het innerlijk gevecht met de gevreesde ziekte K aan te gaan.

Schouwenaar krijgt begin 2025 te horen dat ze een zeldzame vorm van speekselklierkanker heeft. Eind 2024 is ze dan al aan de tumor geopereerd, omdat de eerste biopt goedaardig lijkt. De opluchting neemt echter een andere route. Vijfendertig bestralingen volgen. Deze afslag van haar levensweg geeft haar niet alleen ervaringen in het ziekenhuis met de nodige nabehandelingen, maar wordt vooral thuis een mentale route door berg en dal. Zij noemt die weg: ‘route K’.

In het boek van Ineke Visser Licht op sterven (2024) kunnen we lezen dat in de westerse wereld het sterven en de dood nog steeds een taboe zijn. De dood lijkt uit onze maatschappij verbannen te zijn. Artsen nemen meestal het standpunt in de patiënt zo lang mogelijk in leven te houden. Hierdoor is regelmatig sprake van door- en overbehandeling. Dat taboe geldt ook dikwijls voor het verplegend personeel en de familieleden. Schouwenaar worstelt als patiënt in haar nieuwe bundel met het besef dat we niet ten volle de zeggenschap hebben over ons eigen geest en lichaam. Daarin blijft ze dicht bij zichzelf en weet ze haar intense ervaring overtuigend bij de lezer over te brengen, zeker als die lezer dit proces al eens van dichtbij heeft meegemaakt.

De bundel bestaat uit twaalf tweeledige gedichten die in hun essentie geïllustreerd zijn door tekeningen van Vera Jongejan. Het zijn rijmloze vrije verzen met titel van ongelijke lengte. Alle gedichten tezamen vormen een proces van weerloosheid dat de ik-persoon ervaart gedurende het ziekteproces: ‘Steevast geloven in een pad en dan onderuit’ gaan. En altijd maar weer wachten op die uitslag waarin de ik de hamerslag van het woord ‘k’ niet wil horen. Je wil nog niet dood. De angst jankt aan je voet: ‘Je / drijft je hoop bijeen, vermomt de toekomst, loopt / te hoop.’ Onder de scan ligt de ik ‘ontdaan’ van wie zij is. Zeven minuten lang. ‘Per ongeluk klemgezet’ in de riemen. Allerlei gedachten schieten door haar hoofd: ‘Je bent op zoek naar vrede.’ Voortdurend is er de gedachte van ontkenning dat je ziek bent. Het deppen van je klamme hoofd door de verplegende of een familielid is niet genoeg. Je wil ‘meer / zekerheid dan goed bedoelen.’

Na het onderzoek is er het bezoek aan de specialist die doodgewoon, onpersoonlijk doet en in marstempo de bijwerkingen opleest. ‘Hoeveel / voltreffers heb je nog nodig om herrezen op te staan?’ Uiteindelijk moet de ik het maar treffen en stevig leren staan in dit geweld van routine en woorden: ‘De diagnose heeft (…) [haar] voegwerk aangetast.’ De branie verdwijnt, ze zoekt naarstig naar een uitweg. De ‘botwit gepaste’ doet zijn ding en de ik slikt haar tegenspraak in. Het besef dringt tot de ik door ‘dat je niet langer eeuwig bent, de schepping wordt een daad die over moet. Leven wil je. Vanaf nu tel je de dagen.’

Het wordt duidelijk dat ‘leven niet zomaar iets is’. De ik moet door haar angsten, verlies en verdriet heen. Is het eigenlijk wel mogelijk om zoiets teers als leven te bezitten, vraagt de ik zich af onder de erbarmelijke omstandigheden waarin ze verkeert. Je kunt het ‘vliegen’ wel vergeten: ‘Wegtrekken naar het zuiden zit er niet [meer] in, gansje.’ Cellen moeten vastgesnoerd worden en gedood door de bestraling. Er groeit zoiets als lijfliefde in de ik. Herschik je, stel je bij, is de onuitgesproken opdracht! Net zoals flamingo’s hun prooi in een draaikolk weten te verschalken, zo weet de ik zich door de dreiging van de kanker in angstaanjagende gedachten gevangen. Je weet je geketend, gevangen, gekneveld door ‘k’: ‘Je kan er niet vanaf.’ Hoe moet je doorgaan, het alles doorstaan, is telkens de klemmende vraag die de ik zich stelt. Wat overblijft ‘zijn meelevende blikken, kranigheid van dochters, door sterfelijkheid, door willen, door leven. Door liefde, door liefhebben.’

Uit de ‘Archiefkast’ komen allerlei beelden van angst, dorst en witte lakens rond een lichaam tot de ik. Het voelt als een dier in doodsnood. ‘Het verdriet trekt baantjes’. Dit is één van de vele treffende metaforen die Schouwenaar gebruikt om haar existentiële verdriet, angst en doodsnood tot uitdrukking te brengen. Ook al maakt de ik een som van alle mogelijkheden, dan is daar als samentrekking van de som, altijd weer de morfine: ‘Dat alles om je in leven te houden.’ De hoop blijft dat de doctoren alles weten, dat zij als enigen de weg kennen. Ondertussen blijven de gedachten doorgaan: ‘Je wordt een depot vol ogenblikken, legt een dossier van niet-te-beantwoorden vragen aan.’ Het gebed om grip volgt: ‘Je hart wordt gelaten.’ Een woord dat eigen is aan de houding van een mysticus die zichzelf in positieve zin aan het verliezen is aan iets wat groter is dan hijzelf.

Herinneringen poppen op: de geruite pantoffels van haar vader. De reis vindt achterwaarts plaats. Je kunt jezelf geen ansichtkaart meer sturen: ‘Nu je gegijzeld wordt / door een verte die niet langer voor het grijpen ligt en / taferelen onuitgenodigd in- en uitlopen.’ Het is niet de bedoeling dat je ergens uitkomt op deze reis. Horizonten zijn verschoven. ‘Jij bent hier, misschien / niet voor godsaangezicht, maar wel in het blikveld van / de laborant die een apparaat nauwkeurig instelt.’ Niet de poëzie, maar de ziekte houdt je als dichter thuis.

Als ziek weekdier weet je dat de schelp een wapen is. ‘Garanties worden hier smetvrij verpakt tot aan de voordeur.’ ‘Je kijkt in een modderpoel. Nooit meer beter. Steevast kans op.’ Net als de weekdieren zijn de mensen niet zeker van het ‘smetten onbezette bestaan.’ De vraag borrelt boven: ‘Wat wil je nu eigenlijk duidelijk maken? Dat je samen met je / geliefden oud wil worden (…) Dat je altijd / een kind kon zijn, jou nooit de oorlog zou worden verklaard? En: Wie kan de dans van de dood ontspringen? Plus: ‘Dan heb je net als iedereen buiten K gerekend.’ De ik weet nu wat je al kon weten: ‘Je kan liefhebben, er komt / afscheid. Alleen staat het nu met afgehakte voeten / voor je. Het gaat nergens meer heen.’ Dat is juist goed om de tussentijd niet te vergeten en erover te schrijven. Hoe zit het nu, je vlucht met je verlangen? Verzoen je met de werkelijkheid waarin je zit: ‘Hoogstens aangepaste schoenen’ zijn wenselijk. Vind eerst maar ‘vrede in de dag die de nacht naar buiten / draagt en in het licht dat de ochtend ontsteekt.’ Keer de dag binnenstebuiten zoals je moeder dat met de was deed. Een einde komt ‘niet van buitenaf, maar groeit gestaag, zoals de schemer en de rimpelroutes op je wangen.’ Leer de spelregels van het moment.

Niet de patiënt is ver van huis, maar ook de doctoren staan in een krijgsbende rond het bed ‘met ogen die / niet spreken, handen die niet reiken, waar protocollen / dooddoeners gladstrijken.’ Wie moet in deze situatie worden gerustgesteld? ‘Genezen is acrobatiek zodat / de statistiek bewezen wordt’. De spanning stijgt. De ik zoekt naar woorden die geruststellen, maar ze ervaart ver van huis te zijn. ‘Hier wordt / gevloerd en de oorzaak van de strijd is een tumor die hoewel / niet aanwezig, toch blijft in stijl en procedures.’ Al met al: ‘Recht je rug, je bent ver / van huis, maar onderweg.’ Maar bovenal: ‘Thuis is een daad, een eeuwig vertrekken.’ In de paradox van dit vertrekken ligt de veiligheid en de bescherming van het thuis besloten. Geef je daaraan over.

Nu de tumor zo goed en zo kwaad als mogelijk is weggesneden blijven de gedachtes rond de ‘lege ruimte’ cirkelen. Er ligt de opdracht om zich opnieuw met het lichaam te verzoenen, waaruit het genetisch materiaal ook is samengesteld. Hoe dan ook, je blijft onderworpen aan de tijd. Blijft de troost, het verlangen toch nog geschaafd door de pijn, door de angst? Gaat er bij het bouwen van het zandkasteel niet altijd iets mis? Behoedzaamheid en relativering blijven wenselijk in dit leven.

De prijs van deze ervaring maakt maar weer eens duidelijk ‘hoe een woord kan wenden, / vertrouwen kan woekeren tot woede; een richting / zich kan weerleggen.’ Dit is het dus liefje, ‘de eeuwigheid / van zijn kromp tot meer jaren voor dan na.’ Het meisje in de ik gelooft nog altijd, ‘in een dood / die buiten op de drempel blijft’. Op je tast door het duister lijken je handen van vreemden te zijn en zijn de wissels onverwacht verzet. Maar ‘eens ben je / groot genoeg om over rauw en zeer heen te stappen, / eens zul je vleugels krijgen, word je misschien een / duif. (…) Word moeiteloos, zoals / een mes door de boter kan glijden. Word ruimtegroot, / meer dan weids, laat wat in je beweegt wegen, niets / raakt zoals je weet kwijt. Ga verloren.’

Schouwenaar heeft de patiënt die heen en weer wordt geslingerd in zijn gevoelswereld door het sluipende en woekerende kankerproces realistisch, beeldrijk en troostrijk uitgebeeld.  Vooral uit de enkele momenten waarop het religieuze, het transcendente in het proces is verwoord, spreekt voor mij de overgave aan het leven zelf. In al zijn toonaarden. De bundel is als een leidraad te beschouwen voor poëzielezers die zich aangetast weten door een bepaalde vorm van kanker.

____

Margreet Schouwenaar (2026). Route K. Uitgeverij P, 54 blz. € 22.00. ISBN 9789493534117

     Andere berichten

Annemie Deckmyn – Mal

Annemie Deckmyn – Mal

Wie bepaalt de vorm waarin we passen? door Yolandi de Beer - - Annemie Deckmyn is een Vlaamse dichter die met Mal haar derde dichtbundel...