Hilda de Windt Ayoubi – Geef me je taal. Dat ik je beter versta

‘Geef mij je taal. Dat ik je beter versta’ van Hilda de Windt Ayoubi is volgens Hans Franse veel meer dan een gedichtenbundel: ‘Het is een essay, maar ook een pamflet. Het is een eerbetoon aan twee linguïsten: Frank Martinus Arion en Pieter Muysken. Maar het is ook een appèl voor het spreken en bestuderen van minderheidstalen in het algemeen en in het bijzonder het Papiamentu.’

Lees verder

Gert de Jager – Schitterende, labiele knooppunten

Recensent Herbert Mouwen: ‘’Na het lezen stel ik vast dat de bundel van Gert de Jager ‘Schitterende, labiele knooppunten’, een postmodernistische opzet heeft. Ik word niet emotioneel geraakt door de poëzie van De Jager, maar ik vraag me oprecht af of ik dat als lezer mag verwachten bij dit type gedichten. Ik ontken niet dat Gert de Jager een interessante dichter is, die op geheel eigen wijze met poëzie aan de gang is. Poëzie die vooral filosofisch van aard is.’’

Lees verder

Diverse dichters – Ik wou dat ik een vogel was

Ernst Jan Peters: ‘Een poëziebloemlezing voor de jeugd met een natuurgedicht voor iedere dag van het jaar. Dat is ‘Ik wou dat ik een vogel was’. Geïnspireerd naar Engels voorbeeld, de illustraties van Fann Preston-Gannon vormen dan ook de rode draad van de bundel. Voor de gedichten hebben de samenstellers succesvol geput uit de bibliotheek aan Nederlandse natuurgedichten. Klassiekers en nieuwkomers. Sommige speciaal voor kinderen geschreven, andere goed door kinderen te lezen.’

Lees verder

Kurt De Boodt – Wake

Maurice Broere bespreekt de bundel van Kurt De Boodt – ‘Wake’: ‘Het sonnet is vanouds een favoriete dichtvorm. Wat drijft een dichter in de eenentwintigste eeuw om rijmende gedichten te schrijven? Rijm beperkt enerzijds, maar geeft wel klankrijkdom. Gekunsteldheid echter ligt altijd op de loer. Gelukkig gaat hij ook op zoek naar het experiment en je voelt de bevrijding, waarin de vorm niet langer dwingt en rijm meer toeval lijkt.’

Lees verder

Anton Korteweg – Nooit eens lekker nergens

Hans Franse is onder de indruk van ‘Nooit eens lekker nergens’ van Anton Korteweg: ’Een autotopografische bloemlezing. Poëzie ordenen naar gelang de plaatsen die belangrijk voor je zijn. Autotopografisch. Hij munt een nieuw woord, een nieuw begrip, het woord bestond niet. De heldere toon van de gedichten die soms iets van een intrinsieke triestheid hebben en die dan eindigen met de alles opluchtende, ironische opmerking die, althans voor je zelf , de strohalm tot overleven aanreikt.’

Lees verder