Wiel Kusters – Zonder palet

Wiel Kusters heeft ‘Zonder palet’, dat voor het merendeel uit sonnetten bestaat, alfabetisch geordend. Dat kan willekeurig overkomen, maar het is functioneel. Hans Puper: ‘[Het] leven verloopt niet rechtstreeks van geboorte naar dood, je hoofd houdt zich niet aan tijd en ruimte. Herinneringen, associaties, plaatsen, het denken over de dood: ze lopen voortdurend door elkaar en het is aan niemand anders dan aan jou om daar betekenis aan te geven.’ Hij vindt het een mooie bundel.

Lees verder

René Smeets – Straks gaat het jenever sneeuwen

In poëzie werd en wordt drank regelmatig bezongen, niet in het minst in het genre van light verse. Dankzij René Smeets is er nu een boek op de markt gekomen met uitsluitend gedichten over jenever, een drank die voor het eerst in de Lage Landen werd gestookt. Voor de bloemlezing ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ bracht hij maar liefst ruim honderd jenevergedichten bij elkaar. Een recensie van Inge Boulonois.

Lees verder

Poëzie Kort – 2020 / 5

Vandaag een Poëzie Kort met besprekingen van vijf bundels: Bette Westera & Sylvia Weve – ‘Uit elkaar’ (Herbert Mouwen). Alain Delmotte – ‘Twee dochters’ (Marc Bruynseraede). Jeroen Dera en Charlotte Van den Broeck – ‘Woorden temmen’ (Kamiel Choi). Haiku Kring Nederland – ‘OmNietsOmAlles’ (Herbert Mouwen). Kreek Daey Ouwens – ‘Guillaume’ (Marc Bruynseraede).

Lees verder

Jeroen Messely – Nachtlus

Recensent Peter Vermaat bespreekt ‘Nachtlus’ van Jeroen Messely: ‘De taal in de hand van Messely is afkomstig van een woest palet, waarin binnenrijm of klankverwantschap met het ene woord een ander het gedicht in sleurt en het geheel daarmee tot een veelkleurige kolkplas vormt. Het is geen sinecure voor de lezer om in de kolkende overvloed van kleur, beeld en volume de drone te vinden die het geheel vanaf een bruikbare hoogte in perspectief zet.’

Lees verder

Annie M. G. Schmidt & Sylvia Weve – Miauw, miauw, miauw!

Herbert Mouwen bespreekt het poëzieprentenboek ‘Miauw, miauw, miauw!’ van Annie M. G. Schmidt & Sylvia Weve. Met daarin aantrekkelijke en grappige tekeningen: ‘Dertien van de eenentwintig gedichten gaan over katten. Ook zonder het maatschappelijke engagement van de auteur zijn de gedichten aantrekkelijk voor kinderen. Ze bevatten een strak metrum, dan weer een speels ritme. Een heldere opbouw en het anekdotische karakter zijn altijd aanwezig in de gedichten.‘

Lees verder