Gedichten

Mark Boog

Naast iedere wieg

Naast iedere wieg een fee.
Moeder wringt. Vader knarst.
De fee zegt: ‘Nou ja, we zien wel.
Ik wil mijn voorspelling
later graag preciezer formuleren.’

Aan de lianen die het licht ons toewerpt,
zwaaien wezentjes van wezenlijk
onbegrepen aard: wild, vrolijk, angstaanjagend ook.

En geen zonsondergang om tegemoet te rijden,
geen dagboek om in te lezen.
De uren volgen zich genummerd op.

Sterrenstof! Een kamer vol van sterrenstof!
Wij hebben geleerd ons op ons gemak te voelen,
thuis te zijn, dat wil zeggen: nergens heen te kunnen.

Lees verder

Gedichten

Peter Helsen

Derde brief aan M

M :

Je aaide bruine beren toen je niet meer was dan een
kleuter die kon tellen tot je zomerknieën, altijd
gehavend, zoals je leven daarna, beter
was je een boot geweest. Of een vis.

Wie toen, al was het langs honderden hoofden,
schouders, armen heen, je blik vasthield, speelde
met zijn/haar geluk.

Maar mij ontbreekt het niet langer meer
aan jou, je bent net genoeg. Maar ook zoveel
meer. Je blonde
hart is. Redding en troost.

Lees verder

Gedichten

Baudelaire

RECUEILLEMENT

Sois sage, ô ma Douleur, et tiens-toi plus tranquille.
Tu réclamais le Soir; il descend; le voici :
Une atmosphère obscure enveloppe la ville,
Aux uns portant la paix, aux autres le souci.

Pendant que des mortels la multitude vile,
Sous le fouet du Plaisir, ce bourreau sans merci,
Va cueillir des remords dans la fête servile,
Ma Douleur, donne-moi la main; viens par ici,

Loin d’eux. Vois se pencher les défuntes Années,
Sur les balcons du ciel, en robes surannées;
Surgir du fond des eaux le Regret souriant;

Le Soleil moribond s’endormir sous une arche,
Et, comme un long linceul traînant à l’Orient,
Entends, ma chère, entends la douce Nuit qui marche.

BEZINNING

Probeer je te beheersen, lieve Smart, kalmeer.
Het is al Avond, kijk, was dat niet wat je wilde?
De stad wordt overtrokken door een donker waas;
het brengt de een respijt, de ander zware zorgen.

Terwijl de grote massa vuige stervelingen
gegeseld door Genot, die wrede folteraar,
op wroeging uitgaat tijdens feesten voor de slaven —
reik mij je hand, mijn Smart, en kom maar met me mee,

we gaan ver weg. Kijk daar, gestorven jaren hangen
in ouderwetse robes over luchtbalkons;
daar duikt glimlachend Spijt diep uit het water op;

en daar, onder een boog, de Zon die stervend inslaapt;
en luister, lieve, luister naar de zachte Nacht
die als een lange wade door het Oosten schrijdt.

Lees verder

Gedichten

Esther Naomi Perquin

Mens blijft staan

Waren we nuttiger dingen geweest, onze buiken groenblauwe globes,
onze harten de motors (eenzaam, knalroze) onze handen door
goden omwikkeld met plakband, aan draden tot grotere dingen bewogen

en waren we draagbaar geweest (handvat aan de bovenkant) vraag dan
hoeveel keer beter, hoeveel keer meer – waren we eenmaal
doorzichtig geweest, de lijnen kwijt, we hadden het beter begrepen.

We hechtten tot nu toe geloof aan een mond en twee ogen
maar dit heeft geen gezicht, heeft geen gezicht nodig.
Het is hoe het kijkt en laat je hier achter.

Niemand verplaatst je in wat je betekent, geen mens laat je opstaan
en zweven, we zijn ons beperkte bewegen gewend.

We zullen niets zinnigs meer worden, zijn het misschien al geweest.
Afwezig. Helder ingetekend. Ontdaan van wisselvalligheden.
Iets dat klaar is en waar je, voor even,
de eerste getuige van bent.

Lees verder

Gedichten

Jane Leusink

Medea ben ik

kleindochter van Helios
die er mocht zijn met zonnevlekjes licht en schaduw
op haar gebruinde huid, ligt hier voor u ter inzage

geen Medea ben ik
als vleugels van gezworen woorden scheuren
als taal geschoren schapen baart, in wisselend perspectief
een ravage aan kapotte liefde

wie zegt hier dat het minder kon
alleen verdriet dat klein is trekt zich de buren aan
wie zegt hier dat ik akkoord kon gaan
ja Jason jou krab en schrap ik uit mijn vuile lijf!

als ik had kunnen kiezen
had ik die dubbelstengelige krokus gewoon aan de rand
van de sneeuw laten staan, nu sloeg jij in mij het gat waaruit dít
stroomt, alle seinen staan op rood er is geen stoppen aan

onherbergzaam leed is dakloos, logisch, ik kook, mijn keel
doet zeer mijn losgeplooide bloedrokken kloppen
tot in mijn oor, o goden er is geen troost, waar ik ben
zijn jullie niet, ook niet mijn vader, broertje of mijn land

ik ben Medea
baarde je zonen lievelingen
wie pakt ze op en draagt ze in zijn hand
nu jij mij inruilt voor een ander, zo vruchtbaar aan je positie werkt
waar laat je mij, waar hen die het lot van asielkinderen treft?

jij huilt vandaag je lichaam en je licht
die kinderen de reden dat je leeft
ja Jason ik zie daar alle ruimte voor een wond
sta daar niet zo

ik ben Medea
geen duif getemd in een besloten tuin met aangeharkte paden
geen gras dat vers en buigzaam langs je enkels stroomt

ik kom er niet omheen: wie kan een god die dat niet wil
zien gaan en komen? tot aan de veren dreef zijn pijl
zich in mijn hart dat vraagt en vraagt: bestaat de ziel alleen uit feiten?

Lees verder