Klassieker 238: Frank Koenegracht – 1975

Het gedicht ‘1975’ van Frank Koenegracht oogt bedrieglijk eenvoudig. Een beknopte kenschets van een tijdsbeeld in tien regels, met een hilarisch einde. Bij de analyse van het gedicht stuitte Jeroen van den Heuvel op twee verwante gedichten, die elk op een eigen manier diepgang verschaffen aan de lezing van het gedicht. Drie klassiekers voor de prijs van één.

Lees verder

Klassieker 237: Jules Deelder – Spartaans gedicht

In Rotterdam is het ‘Spartaans gedicht’ van Jules Deelder al lang een Klassieker. Na zijn plotselinge dood, vlak voor Kerstmis, werden her en der regels uit het gedicht aangehaald. Dat maakte Eric van Loo nieuwsgierig naar het gehele gedicht. Het bespreken van dit gedicht leek hem een mooie manier om de nachtburgemeester nog een keer in het zonnetje te zetten.

Lees verder

Klassieker 236: Marije Langelaar – Stoel

Het gedicht ‘Stoel’ van Marije Langelaar is hard op weg een klassieker te worden, aldus Joost Dancet in zijn enthousiaste bespreking. De dichter neemt de lezer mee in een bijzonder hallucinant moment. Daarbij gebruikt zij effectief diverse poëtische technieken, zoals enjambementen en het weglaten of juist gebruiken van leestekens. Zodoende weet Langelaar de lezer deelachtig te maken aan een bijzondere, welhaast mystieke ervaring.

Lees verder

Klassieker 234: N.E.M. Pareau – De sidderrog

Herman Jan Scheltema (1906 –1981) gold als een markante hoogleraar rechtsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Vooral op jongere leeftijd publiceerde hij poëzie, onder het pseudoniem N.E.M. Pareau. Voor Pieter M. van Sterkenburg is ‘De sidderrog’ een bijzonder gedicht. Een klassiek sonnet, op het eerste gezicht wat archaïsch en bedaard. Maar leest u vooral door: het venijn zit hem in de staart.

Lees verder