Columns
Lachen en dat wat onuitgesproken blijft
Willem Tjebbe Oostenbrink over de woorden lachen en vergeten. Ze houden verband met elkaar en ze staan op gespannen voet. Met lachen kun je jezelf en alles vergeten, alsof het moment jou geheel opslokt en er niets anders overblijft dan te lachen, te ontspannen, los van gedachten, troebelen, zorgen, spanning, alles los te laten, alleen maar lachen. Maar hoe werken ze in gedichten?
Vanaf dat moment ging het faliekant mis
Soms is een prijsuitreiking van een poëziewedstrijd een waar uitje, andere keren weet je niet wat je moet verwachten en heel soms gaat het helemaal fout. Alles staat of valt met een goede organisatie. En hoewel het tenslotte niet om de prijs gaat, maar om de eer, is het toch wel erg sneu als de voltallige jury er met de bloemen vandoor gaat.
Stadsdichters
Er is geen eenduidige definitie van een stadsdichter. Hans Franse over zijn Den Haag en de stadsdichters van vroeger. Den Haag heeft nu twee jonge stadsdichters, voortgekomen uit een wedstrijd op middelbare scholen, begeleid door het Huis van de poëzie, Anu Soerjoesing en Govert van der Velde maar Ilja Leonard Pfeiffer zou eens een jaar de stadsdichter moeten worden en op zijn manier de straten beschrijven.

Het commentaar op Albrecht Rodenbach
Hans Franse heeft zich verdiept in de Vlaamse schrijver en dichter Albrecht Rodenbach (1856 -1880). Vanuit zijn liefde voor Vlaanderen streed hij voor het Vlaams als voertaal toen het Frans onbarmhartig toesloeg nadat België zich van Nederland had afgescheiden. Rodenbach werd met zijn charisma de levende legende van de Vlaamse Jeugd. Hij verzette zich met name tegen het gebruik van het Frans in het onderwijs.
Dwangarbeider van de poëzie
Een prachtig in memoriam van André van der Veeke door vriend en kunstbroeder Rogier de Jong. André was een gedreven dichter, maar hij zwom ook tegen de stroom van genre- en andere conventies in, hij schreef eigenzinnige, sterke gedichten. Ook was hij medeoprichter van het literair periodiek ‘Ballustrada’. Volgens de herdenkingskaart had hij aanvankelijk een enorme hekel aan poëzie: ‘erger dan een kerkdienst’.
Dwalen in het spiegelpaleis tussen droom en fantasie
Wat was de bedoeling van onze Rob de Vos-wedstrijd? Zit er authentieke poëzie in de ongelauwerde inzendingen van dichters die ‘moeten blijven dwalen tussen de woorden en wanen, in hun dromen en fantasieën’, of maakt de columnist hier een ommetje in het thema van de wedstrijd? Aan ‘dwalen’ geeft De Dikke Van Dale niet minder dan zeven taalkundige betekenissen!
Handen op de rug
Een wandeling met de blik vooruit naar het nieuwe jaar. Drukte om de schrijver heen. Daarbinnen houdt hij zijn handen op zijn rug, indachtig het gedicht van Bernard Wesseling: ‘Sinds ik, in navolging van oudere mannen, met mijn handen / op mijn rug loop, grijp ik minder aan / en word ik minder aangegrepen.’ Dan ineens komen zijn handen tevoorschijn en wijzen.
Dichterlijk omgaan met de (on)zichtbare werkelijkheid
In een van zijn nagelaten gedichten liet Paul van Ostaijen het jongetje Marc ’s morgens de dingen groeten, waardoor een stilleven met een vaas en brood op tafel, en een stoel naast de tafel, tot leven werden gewekt. Er zijn echter ook gedichten waarin de openstapeling van visuele prikkels een maatschappijkritische of poëticale rol spelen. Maar in gedichten wordt het zijn vooral zichtbaar gemaakt door werkwoorden.

Het commentaar van Tom Veys
Onder onze eigen recensenten zitten tevens dichters wier bundel besproken wordt door een collega. Dit stuivertje wisselen is een aparte ervaring. Nu is de recensent zelf overgeleverd aan iemand die zijn of haar poëzie onder de loep neemt. Tom Veys geeft commentaar op de recensie van zijn bundel ‘Dan strekt de zee in me door', geschreven door Ivan Sacharov.
