LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Recensies

Bernadette Stom - Heimweecafé
Bernadette Stom - Heimweecafé
Jeroen van Wijk noemt ‘Heimweecafé’ van Bernadette Stom een enigszins veilig, maar prima debuut: ‘Er is weinig op aan te merken, kwalitatief zijn ze in orde, er schuilen mooie beelden tussen de woorden, maar vaker wel dan niet blijft het daar ook bij.’ Gelukkig zitten er voldoende gedichten in die hem als lezer een fijne kluif geven.
Anne Vegter - Projectmedewerkers
Anne Vegter - Projectmedewerkers
Johan Reijmerink bespreekt ‘Projectmedewerkers’ van Anne Vegter. Hij concludeert: ‘We hebben in deze bundel van Vegter van doen met zorgvuldig ingepakte en versleutelde poëzie. De schoonheid ervan openbaart zich in verrassende metaforen en snelle opeenvolgende situaties, gezien vanuit de alwetende verteller. De langs flitsende beeldopeenvolging overschaduwt soms de verstaanbaarheid.’
Pieter Sierdsma - Losgemaakt
Pieter Sierdsma - Losgemaakt
Jac Janssen bespreekt ‘Losgemaakt’ van Pieter Sierdsma: ‘De stijl ademt een tot rust gekomen aandacht voor het alledaagse, de thema’s neigen naar verstilling en observatie. Er gaat geregeld een wat bedaagde, bijna bezadigde sfeer vanuit die alleen een dichter met veel verleden kan oproepen. En tegelijk roepen die soms schijnbaar achteloze, dan weer poëtische zinnen zóveel vragen op dat ik het overzicht kwijtraak.’
Xander Jongejan (samensteller) - Oude Grond
Xander Jongejan (samensteller) - Oude Grond
Het nulnummer van het nieuwe tijdschrift ‘Oude Grond’ heeft als ondertitel ‘traag tijdschrift’. De samensteller is Xander Jongejan, hij zocht zorgvuldig teksten uit van bijzondere schrijvers in binnen- en buitenland om met aandacht van te genieten. Volgens Anneruth Wibaut hebben de teksten onderling zoveel samenhang dat er een nieuw kunstwerk is ontstaan. Ze komt veel bekende dichters tegen.
Annelies Verbeke - Charmolypi
Annelies Verbeke - Charmolypi
In de debuutbundel ‘Charmolypi’ van Annelies Verbeke is de Soemerische godin Nisaba het onderwerp, zij is de godin van de vruchtbaarheid, het graan en het schrift. Hettie Marzak merkt op: ‘Verbeke geeft Nisaba niet alleen een aantal markante karaktertrekken mee, maar deelt ook met haar de bezorgdheid om het klimaat, het voortschrijden van de tijd en de schijnbare maakbaarheid van het menselijk leven.’
David Huyghe - Olifantenvleugels
David Huyghe - Olifantenvleugels
‘Olifantenvleugels’ van David Huyghe is een omvangrijk debuut dat raadsels openlaat, volgens Tom Veys. ‘De dichter is een woordkunstenaar die met aantrekkelijke taal een poëtische wereld opent. De taal begeleidt je bij verschillende gedachtesprongen die klein, groot, ver of gevarieerd zijn.' Veys denkt dat deze poëzie zich ook goed leent voor op het podium.
Jana Arns - Tussen messen slapen
Jana Arns - Tussen messen slapen
Ivan Sacharov komt in de bundel ‘Tussen messen slapen’ van Jana Arns, een boeiend taalspel tegen. Hij omschrijft haar stijl als horizontale poëzie: ‘Ze is niet in de eerste plaats peilend, verticaal de diepte in (om geconcentreerd een inzicht op te leveren), maar plaatst haar paradoxen in plastische zinnen, die uitwaaierend de lezer laten aarzelen tussen meerdere interpretaties, die allemaal ongeveer even concreet zijn.’
Maya Wuytack – Iets wat raaskalt iets wat stil is iets wat breekt iets wat overblijft iets wat de nacht doorbrengt met mij
Maya Wuytack – Iets wat raaskalt iets wat stil is iets wat breekt iets wat overblijft iets wat de nacht doorbrengt met mij
Ali Şerik bespreekt ‘Iets wat raaskalt iets wat stil is iets wat breekt iets wat overblijft iets wat de nacht doorbrengt met mij’ van Maya Wuytack: ‘De bundel is doordrenkt van verlangen, de honger van huid en lippen, maar ook het gemis ervan. Er is angst om niet meer bemind te worden en tegelijk het onvermogen om zelf lief te hebben. Elke strofe staat op zichzelf als een klein gedicht.’
Inger Christensen - alfabet
Inger Christensen - alfabet
Yvan De Maesschalck is onder de indruk van ‘alfabet’ van Inger Christensen. Zo is de inhoud op ingenieuze wijze geordend volgens de Fibonacci-reeks en daarnaast constateert hij: ‘’In Christensen wereldbeeld, zoals verbeeld in haar poëzie en geëxpliciteerd in haar essays, is geen spoor van hiërarchisch denken aanwezig. Elke vorm van ‘bestaan’ die in ‘alfabet’ wordt opgeroepen is even toevallig als voorbijgaand.’’