Hans Groenewegen – Zuurstofschuld

Narrenwijsheid van een psalmodiërende dichter

door Johan Reijmerink

Van de essayist Hans Groenewegen (1956) ben ik gewend dat hij een heldere, afgewogen schrijfstijl hanteert. Precisie, verfijnde detaillering en nuancering in taalgebruik, maar bovenal is transparantie zijn handelsmerk. Met die perceptie begon ik te lezen in zijn nieuwste bundel Zuurstofschuld (2008). Aanvankelijk raakte ik al lezend enigszins teleurgesteld, maar ook wat geïrriteerd door de gestructureerdheid van de afdelingen, de kortademigheid van zijn beeldspraak, het opsommende, wentelende karakter van de zinsbouw, de omkering van gedachten, de bezwerende herhaling, de schemerige symboliek, het soms wat al te nadrukkelijk spelen met de woorden. Het deed me te gewild, te bedacht, te geconstrueerd aan. Voor mij bleef het aanvankelijk vooral een taalspel en geen doorleefde poëzie, althans het levensgevoel dat eronder of erachter ligt, liet zich bij mij moeizaam wekken, maar bij nader inzien heb ik me gewonnen moeten geven en me laten meevoeren door zijn bezwerende taal die de verijling de baas wil blijven. Daartoe heeft de gesproken tekst op de cd veel bijgedragen.

Tegenwoordig hebben veel mensen last van slaapschuld. Ze slapen te weinig uren per nacht en raken daarvan op den duur uitgeput. Hans Groenewegen noemt zijn nieuwe dichtbundel Zuurstofschuld (2008). Het woord komt op een paar plaatsen in de bundel voor in een betekenis die wijst op het ervaren van een afnemende hoeveelheid aan zuurstof in de lucht, wat rampzalige gevolgen kan hebben voor mens en natuur, zoals uit het gedicht ‘morgen wordt het warmer’ blijkt. De bundel ademt een zeker besef van milieubewustheid.
De nar is de gids op onze leesroute. Hij wijst ons op een naderende catastrofe, zoals narren altijd gewoon waren te doen aan de hoven van koningen. Hij dient op een voor de koning aanvaardbare wijze hem onwelgevallige inzichten te verkondigen, liefst op een tragi-komische wijze, zonder zichzelf daarbij op de voorgrond te plaatsen. Het gaat immers om de koning. De nar die in vier van de vijf afdelingen als eerste wordt opgevoerd, wekt naar zichzelf toe de indruk dat hij de slaap kon ‘vatten’. Gaandeweg trekt hij zich terug in het donker en biedt aan de mensen de gelegenheid zich ‘narrig’ aan al wat leeft te hechten. De nar denkt later even een clown te zijn om naar de macht te kunnen grijpen. Bij zijn act aan de trapeze grijpt de macht hem beet en redt hem van de ondergang. Als de macht de nar met jou had willen delen, was hij echt gevallen. De nar kan niet nalaten zich uit te spreken, hoewel hij zichzelf in zijn uitspraken voortdurend ontkennen wil.

In de eerste cyclus ‘Vigiliën’ vervult de nar de rol van ‘nachtwaker’ onder de doden. In paradoxen spreekt hij zich uit over de slaap die de mensen heeft bevangen en waaruit hij hen wil wekken. In de acht nocturnes ziet het lyrisch ik de nacht vallen. Hij zuigt zijn longen vol zuurstof en daalt af in de ‘onderwereld’ van de nachtelijke slaap. We lijken verzeild geraakt in het verhaal van Orpheus met Eurydice aan zijn zijde. Zij wendt zich van af en laat hem alleen achter. Enkel een geur van seringen verraadt haar vroegere aanwezigheid. Vanaf deze ervaring bevindt de ‘ik’ zich buiten ruimte en tijd. Geen haast, geen dualiteit, het alleen zijn ervaren staat voorop. Daarna volgt er een moment van adem halen en vervolgens zich weer een afdalen in het nachtelijke avontuur, zonder te weten hoe het verder zal verlopen. Vlak voordat hij de slaap denkt te vatten, is hij zich nog heel fysiek bewust van zichzelf. De slaap accepteert hem niet. En dan is er opnieuw de ‘beschaduwende’ hand van de ‘zij’:’zij heeft tot mijn aanwezigheid besloten/ mij uit de daglichtklem verlost/ ik word op ademen heringericht//’. Hij kan naar haar reiken. In haar nachtelijke aanwezigheid kan de ‘ik’ uitzien naar de levenwekkende dag. Het is een cyclus die door zijn mythisch karakter meerdere betekenislagen herbergt. Zo leidt de slaap de ‘ik’ verder naar zijn dromen, vindt Adam in zijn ademtocht zijn Eva en vormt de dichter door zijn adem de woorden. Een gedicht als ‘morgen wordt het warmer ‘ laat zich lezen als gedicht waarin de dichter zijn verontrusting toont over de klimaatverandering die ons te wachten staat: ‘ondergaan wij de zonsondergang als terechtwijzing/ – wat we worden straf voor wat we waren -/ het maanlicht als een reiniging die te laat komt// wat ons aan lucht rest, moeten we uit klanken schrapen//’. De beelden die hij verderop in het gedicht gebruikt, doen denken aan het verhaal over de ark van Noach. Het schip dat op de berghelling blijft vastzitten op de berghelling, terwijl het water ondertussen gezakt is. Het laat zich lezen als een apocalytisch beeld van een ontluisterde aarde.

In de tweede cylcus ‘minvermogenden’ schept de nar voor de mens de ruimte om zich aan de dingen te hechten. Het eerste gedicht ‘begonnenen, een ontginning’ leest als een scheppingsverhaal over de dichter die zijn pennenmes te voorschijn haalt om zijn eigen wereld op papier te gaan creëren. De ‘psalm’ is een schreeuw om antwoord op de filosofische kernvragen: wie ben ik, waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe. Het gedicht ‘het huis van Thorbecke, brokstukken’ geeft in negen korte passages een beeld van de aangevochten rechtstructuur van het huidige Europa. Het huis van Thorbecke is te klein geworden voor het verenigd Europa waar wij ondertussen toebehoren, zoals blijkt uit de dialoog tussen de overgrootvader Thorbecke en zijn kleindochter.

In de derde cyclus ‘Welbehagen, niet behagen, saunasteno’ is er opnieuw de zoektocht naar wie de ik is: ‘motiveer je onbehagen en ik vertel je wie ik ben/’. Het is een doorlopende cyclus van tien eenheden. De ‘je’ ervaart een ‘onzuivere’ wereld om zich heen. De cursieve zingedeelten, woorden en zinstukken, vertegenwoordigen het onbehagen, de overige zinstukken het welbehagen. Cursieve gedachten met de snelheid van het vroegere stenoschrift tussen de warme woorden opgetekend. Luisterend naar de cd is het effect daarvan nog sterker dan lezend. Opnieuw een ervaring van dualiteit en ambivalentie. Ondanks de bedreigende situatie zet het lyrisch ik de ‘je’ aan tot “het ware welbehagen” zonder scrupules en overvloedig de ‘mortel uit de roemer’ te drinken. Het vergt enige moeite de ellende te vergeten over alle doden die zijn gevallen, maar het laat zich toch niet navertellen: ‘het hoofdrekenonderwijs schiet […] tekort/’. In de vijfde episode portretteert de dichter een danseres die niemand wil behagen. De ‘jij’ dient haar te koesteren en toe te dekken met zijn ogen. Een moment van dansante vergetelheid. Een plek om niet meer te verlaten. Een ethisch neutrale plek, theatraal, nu op naar het tijdperk zonder toekomst. We lijken ons te bevinden in een polderlandschap op een zeilboot: ‘ogen toegeknepen achteroverliggend op het dek/ of languit op de oever, een leeuwerik zoeken in de zon//’. Thuiskomen van de tocht kan hij de sleutel niet vinden. De boot wordt bij het woonhuis afgemeerd. Zelfs alledaagse handelingen als met bespuugde hand door het haar gaan om het mishagen weg te wrijven lijken niet toereikend meer. De ‘je’ lijkt een innerlijk uitdijende implosie te ondergaan: ‘wat als het stilvalt. dat het nooit meer dauwt/’. Een benauwend moment van ademnood.

In de vierde afdeling ‘luchthartig’ opent met de nar die dacht een clown te zijn. De nar neemt aanmatigende houdingen aan, diverse airs. Als de nar gaat spelen met de macht, komt hij ten val. Die luchthartigheid komt hem duur te staan. De ‘hij’ “klampt zich met zijn adem aan de wind/”. Dit spel van ademen voltrekt zich grotendeels aan de zee. In de zesde air staat de filosofische frase: ‘ons onvermogen/ in dezen aan het willekeurige te ontkomen//’. De lucht die wij inademen, ademt de ik als woorden weer uit. Waar komen de woorden dan eigenlijk vandaan, kunnen we ons afvragen. Wij hangen ‘ons ver vooroverbuigende gezicht/ in de golven geschept papier ons voorlaatste ademen spiegelen zag;//’. De dichter als een Narcissus lijkt boven zijn blanco vel papier gebogen. Dan is er de ovale zee. Aan de grenslijn van strand, zee en wolken staand is er het besef van voorbijgaande aard. Het sterkst in deze afdeling is het lied ‘kom, zeg het, zegt de zee’. De zee doet een bekentenis aan de ik: ‘ik lik aan uw huid, aan uw haar, ik lik aan uw kinderen//’. De zee wacht op het moment dat het land en haar bewoners zich voor haar zal openen. Dan zullen zee en land elkaar gretig verslinden. ‘dan zal ik van me doen horen, dan zult u van mijn zilte woorden/ vervuld raken, uw longen uw mond mijn gezuiverde bronnen,/ ik zal het ruisende ruisen zijn dat in de schelp van uw schedel ruist//’. Dat unieke gesprek tussen de zee en de mens is voor anderen niet te horen. De dichter vraagt aan de ‘jij’ waar hij zou willen ademen. De ‘jij’ verwijst naar plaatsen van natuurlijke stilte.

In de vijfde en laatste afdeling ‘Invallende rede’ marginaliseert de nar zich tot niemand. Opnieuw gezicht op zee en een opkomst van de maan, ontleend aan een schilderij Caspar Friedrich David (1821), met een gezonken zeilschip dat van zijn ankers is geslagen en ten onder is gegaan. Het gedicht ‘handreikingen’ schetst een Jeroen Boschachtig tafereel. De nacht klimt op, ‘voorbij de wolkenbank, naar open zee/’; ‘de morgen klimt omlaag naar het graf onder de grassen’. Een vreemd apocalyptisch schouwspel speelt zich hier onder het zeeoppervlak af: “de hand in de handreiking blijft leeg//”. Een observatie van een uit de hand gelopen conflict tussen geliefden dat zich lijkt te voltrekken in een flat aan de overkant. Een onbestuurbaar proces ondertussen. Het is een sterk associatief gedicht zoals de meeste uit deze afdeling. Dikgedrukte strofen wisselen de gewoon gedrukte af. Weer een dialogiserende opzet waarbij de inwendige stem de gang van zaken becommentarieert. Een techniek als een stream of consciousness uit het modernistisch proza. De inkeer leidt tot een fatale sprong over de rand van het leven ‘doeleinden/ tegemoet//’. Tot slot volgt er de drieluik ‘stemmingen’, ‘ontstemmingen’ en ‘bestemmingen’. Ze hebben iets ludieks. De dik gedrukte tussenstrofen van ‘stemmingen’ handelen over de nar die ontstemd raakt. Maar door zich ontkennend uit te spreken over zaken kwam hij opnieuw in de stemming, totdat het ‘nee’ hem ontnomen werd, en hij naar adem hapte, maar bij toeval in een ‘nee’ beet dat ‘een kreet slaakte die men voor een ja kon houden’. Hij kon zichzelf daardoor hernemen. En het dwarrelende dagpauwoog dat zijn creatieve lijnenspel door de lucht kruist, waaraan geen systeem valt te ontdekken. En zelfs het koeren dat uit het havenhoofd klinkt, valt niet te begrijpen. Adem halen uit de laatste adem is je bestemming bereiken. Tot zover een slalom door deze omvangrijke bundel.

De poëzie van Groenwegen is heel tastend en zoekend naar betekenis en bezit een mythisch karakter met anekdotiek in soms moeilijk leesbare aquareltinten, maar verloopt wel langs lange lijnen van enjambementen en paradoxen. Dat maakt dat voor mij de focus niet altijd scherp genoeg is om door zijn beelden getroffen te raken. De poëzie zint op een existentiële bezorgdheid over het voortbestaan van de aarde, warm menselijke gevoelens over de ander, op een diepe onzekerheid over wie je bent en een onvermogen om te zeggen wat er gezegd wil worden. Naast veel cerebraal opgetuigde teksten zijn er ook verschillende gedichten waarin een doorleefde ervaring helder is uitgebeeld. Prachtig is het mythische scheppingsbegin uit het gedicht ‘begonnenen, een ontginning’ of de ‘psalm’ waar in de ik zich gekend wenst te weten door de god die zich zwijgend ophoudt in het verterend vuur. Dat doet me herinneren aan de brandende braamstruik van Mozes en zijn monologue intérieure met de God van Israël. Sterk is het gedicht ‘kom, zeg het, zegt de zee’, waarin zich een beklemmende dialoog tussen de zee en het land ontwikkelt. Het verleidelijke, maar tevens bedreigende ‘likken’ van het water aan het land geeft aan de voorstelling van zaken een erotiserende lading.

In zijn essayistisch werk legt Groenewegen de lat bij zijn collega-dichters hoog, maar blijft onder de meest barre omstandigheden mild over het poëtische klimaat in hun bundels. Ik zou dat ook willen blijven, want uit zijn poëzie spreekt veel liefde voor taal, voor het mysterie van het leven en het maken van poëzie. Zijn poëzie daagt zeer uit om als lezer het gevecht met de woorden aan te gaan. Nieuwvormingen als ‘ademzoom’, ‘monddier’, ‘lippenvlinder’ of ‘distelvlinderwellend’ en de meanderende versregels van het ene enjambement over in het andere houden je als lezer scherp. De sfeer is bezwerend. Een gedicht als ‘leeuwerik’ uit de tweede cyclus roept in zijn allitererende, spanning opbouwende beweging en muzikale ritmiek herinneringen op het gedicht ‘Gierzwaluwen’ van Guido Gezelle. Voordat de leeuweriken op het netvlies van de toeschouwer neerdwarrelen, heeft zich een intrigerend lijnenspel voor je ogen voltrokken.
In zijn nieuwe poëziebundel springt de doordachte structurering als eerste in het oog: zowel in de bundel als geheel als binnen vele gedichten. Herhaling van versregels en woorden komt veel voor. Dat geeft een psalmodiërend karakter aan verschillende gedichten. In de cyclus ‘minvermogenden’ klinken weemoedige klachten op, waarin de ik zich gehoord en gekend wil weten, zoals dat ook in de oudtestamentische psalmen het geval is.

De poëzie van Groenewegen toont verwantschap met die van Lucebert in zijn beeldstapelingen en bezwering, maar hij mist diens bezetenheid, of met die van Kouwenaar met zijn anonimiserende poëzie, maar hij bezwijkt nog wel eens voor de verleiding van zijn eigen taalvondsten, en met die van Faverey in zijn onpersoonlijke presentia. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je weet dat hij zich als redacteur en lezer bij de samenstelling van essaybundels over het werk van de genoemde dichters intensief heeft beziggehouden. Bij de poëzie van bovengenoemde dichters ligt zijn affiniteit en referentiekader als dichter. De bundel is ervan doordesemd. Niet alleen de nar trekt zich op vele momenten in deze bundel in de duisternis terug, maar ook Groenewegen prefereert de duistere krochten van de taal. Het abstractieniveau ligt ondanks de ogenschijnlijk concrete woorden hoog, de werveling van beelden vraagt zo nu en dan om meer verheldering. Neem bijvoorbeeld ‘air VI’ uit de derde cyclus ‘Luchthartig’:

diep in mijn longen zou het moeten
zijn, maar verdrink er, welke adem haalt
nog de stembandspleet en tikt de tong
tegen de tanden van de kolk
en waar willen
anders dan in het bladeren van het bloed
door de bladen van dit te stijf gebonden boek
waar kunnen
zouden we het kunnen noemen, ons onvermogen
in dezen aan het willekeurige te ontkomen
zou het naar mij gaan, moest daar geen water kunnen staan
naar mij gaat het niet, laat iets mij schrijven
als dreef ik mijn ogen woorden uit

Blijkbaar wil de ik woorden scheppen, worstelt hij met zijn onvermogen ze te formeren, maar het is wel allemaal uiterst gewrongen geformuleerd. Ik vind dat je de lezer in zijn eigen herinneringen en ervaringen voldoende aanknopingspunten moet bieden om zijn eigen wereld in woorden te kunnen creëren met het te lezen gedicht. Dat laatste wordt de lezer door de ‘dingelijkheid’ van de beelden nogal eens moeilijk gemaakt zoals in het gedicht ‘morgen wordt het warmer’ uit de eerste cyclus: ‘ademoplossing uitgewerkt, of we/ nu nu nu die zuurstofschuld willen bekennen -//’. Stenen, tongen en monden worden in weer andere gedichten gepersonifieerd. Het poëtische landschap brengt soms het mythische maanlandschap van Carel Willink in beeld: onpersoonlijk en onheilspellend.

Groenewegen schrijft poëzie die hoge eisen stelt aan het voorstellingsvermogen van zijn lezers. Het verlangen en het zoeken naar identiteit van de ik in de ‘psalm’ uit de tweede cyclus wordt een gedicht lang volgehouden. In het gedicht ‘noch engel, noch mens, noch dier’ uit de tweede cyclus:

onze mond een weefgetouw waarop van namen
wij de sluier weven waarmee wij bekleden,
zo aan onze ogen een gestalte geven
die het onzienlijke in ons licht verhult

geef ons dat we die elkaar in handen geven
ter ontmanteling, ter ontraafling van de namen –
in donker opgaand ondoorgrondelijk beamen

ontvouwt zich een prachtig beeld waarin de dichter ons toewenst dat de gesproken woorden ons beelden geven, waarmee wij ons kunnen voorstellen wie wij bij name noemen. Het perpetuum mobile van het geworpen bierglas in het gedicht ‘slauerhoff herhaalt zich in harlingen’ illustreert op subtiele en krachtige wijze het verlangen naar het onbereikbare geluk. Om een plaats vragen in het universum, weten wie je bent, wat je hier komt doen, komt op diverse plaatsen in de bundel terug. Het zoeken van woorden door de dichter vervult binnen die identiteitsvraag voor Groenewegen een voorname rol.

Vijf min of meer sterk samenhangende cycli vormen het raster waarbinnen zijn gedichten zijn geplaatst. De twee eerste en de twee laatste cycli kennen een nar of clown als beschouwend en ervarend lyrisch subject. Als je niet eerst de aantekeningen achterin de bundel zou lezen, zou je de indruk kunnen krijgen dat de gedichten uit de cycli per afdeling zijn ontstaan. Het tegendeel is waar: de gedichten zijn voor een deel in opdracht en bij gelegenheid ontstaan. Ook is er een aantal hergebruikte gedichten binnen het kader van deze bundel opgenomen. Zo ademen de gedichten die deel uitmaakten van het muziektheater in de Lebuïnuskerk te Deventer, in deze bundel toch een andere atmosfeer dan in het bewegende spel van licht en donker, dans en muziek van de toenmalige voorstelling, zoals ik indertijd zelf heb kunnen ervaren. De verandering van context doet wel iets met de tekstinhoud. Een religieus karakter van het muziektheater lijkt ingewisseld voor een meer mythische atmosfeer uit deze bundel.

Het psalmodiërende karakter van de bundel blijkt een krachtige manier te zijn om de ‘zuurstofschuld’ die de mensheid bedreigt onder de aandacht van de lezer te brengen. Narrenwijsheid van een dichter die genoegen beleeft aan het blootleggen van de vele lagen in de taal.

Geplaatst in Recensies.