Een gedicht als een aflevering van E.R.

Dichter en vertaler Bart de Block (1978) liet al van zich horen in de belangrijkste papieren literaire tijdschriften van ons taalgebied en is bovendien redacteur van Kluger Hans. Tijd voor Meander om deze nieuwe stem in de Nederlandse poëzie aan u voor te stellen. Voor nu althans, want De Blocks gedichten zijn volgens de dichter zelf aan voortdurende evolutie onderhevig.
 
Je bent dichter en kunstwetenschapper. Is er voor jou een verband tussen die beide bezigheden?
Zeker. In de eerste plaats is poëzie natuurlijk ook kunst. Ze speelt zich af in een vergelijkbare context, een vergelijkbaar cultureel en maatschappelijk veld als beeldende kunst. Je zou kunnen zeggen dat poëzie valt onder een bepaald ‘taalregime’ in plaats van onder een ‘beeldregime’. Natuurlijk zijn er verschillen tussen literatuur en beeldende kunst. En een gedicht is natuurlijk meer dan theorie. Maar beide disciplines delen wel een context van hedendaagse gevoeligheden.
Dat is het voornaamste verband, denk ik. Dat poëzie veel meer kunst is dan ambacht. Dat ze dus even hoog moet grijpen en even hard moet denken als beeldende kunst. Ik zie ook een intuïtief verband tussen poëzie en videokunst, kunstvormen die mij allebei sterk raken. Het heeft iets te maken met tijdbeleving. Dat zou ik graag eens iemand zien uitzoeken.

Hoe zou je je poëzie zelf karakteriseren?
Dat is moeilijk, omdat ik dit karakter voortdurend in evolutie zie. Daarom is iets poëzie: omdat er nieuwe constructies worden gemaakt met taal. Maar er zijn wel constanten. Mijn gedichten werken bijvoorbeeld meestal met breuken of losse, associatieve verbanden. In de loop van een gedicht vinden er vaak opvallende verschuivingen plaats van stem of toon. Nog een ander kenmerk is dat er veel informatie in de gedichten wordt samengebracht, zoals in een film van Robert Altman of een aflevering van E.R.. Deze vormkenmerken lopen door naar de inhoud. Die betekent niets anders dan de mogelijke impact op de lezers. Wat het gedicht doet. Ik zou een gedicht willen schrijven dat evenveel kan doen als een aflevering van E.R..

Welke dichters lees je graag en waarom? Hebben zij ook invloed op je eigen werk?
Op dit moment lees ik Gwennaëlle Stubbes Ma tante Sidonie en Rae Armantrouts’ The Pretext. Stubbe bewonder ik om haar talent voor het absurde en het theatrale. Ze schrijft minimale poëzie met een maximaal effect. Die gebaldheid vind je ook terug bij Armantrout. Wat ik in haar poëzie frappant vind, is dat ze dubbele of valse boodschappen meegeeft, waardoor betekenis iets bedenkelijks of betwistbaars wordt.
Figment van Rebecca Wolff was in het recente verleden een belangrijke bundel voor mij. Net als Fuck You-Aloha-I Love You van Juliana Spahr. In ons eigen taalgebied heb ik bewondering voor Saskia De Jong en Paul Bogaert. Dichters die ik binnenkort wat grondiger zal lezen, zijn Alice Notley en Friederike Mayröcker. Noot: opvallend dat dit haast allemaal vrouwen zijn.

De nieuwe hedendaagse dichter is niet alleen actief op papier, maar treedt ook regelmatig op en laat van zichzelf horen op het internet. Hoe verhoud jij je daartoe?
Ik heb er eerlijk gezegd gemengde gevoelens bij. Ik ben wat wantrouwig tegenover het retorische karakter van sommige slampoëzie. Maar er zijn genoeg tegenvoorbeelden die dit weerleggen. Ik voel ik me aangetrokken tot een voordracht die weerhaken toevoegt aan een tekst, bijvoorbeeld het werk met geluid en klanken van Antoine Boute en de crossover met theater van Vincent Tholomé. Maar in mijn eigen teksten is dit momenteel niet aan de orde, nu ik op papier iets interessants probeer te ontwikkelen.

Je hebt ook poëzie vertaald. Hoe verhoudt het vertalen van poëzie zich volgens jou tot het schrijven van je eigen gedichten?
Er is nauwelijks een verband, denk ik. Vertalen is een eigen metier, waarbij de vertaler een bepaalde toon en een vlotte leesbaarheid moet proberen te vatten. De inventiviteit die daarbij te pas komt, heeft maar maar weinig te maken met het ontwerpen van een gedicht. Ik zie dan eerder een verband tussen poëzie en het schrijven van een essay.
De vertalingen – die ik overigens maak voor Kluger Hans – zijn interessant omdat ze leiden tot een andere lectuur van poëzie. Je wordt gedwongen om de gedichten helemaal door te denken, iets waar je anders – zeker bij anderstalige poëzie – vaak niet de tijd voor neemt.

Wat mogen we nog van jou verwachten in de toekomst?
Dit jaar nam ik deel aan Dichters in de Prinsentuin en schreef ik een essay rond Juliana Spahr voor Parmentier. Bovendien verschenen er gedichten in DW/B. Volgend jaar hoop ik voldoende nieuwe gedichten te schrijven voor een boek. Ik verwacht ook een paar mooie themanummers van Kluger Hans. En in het voorjaar organiseren we met Kri Kri een nieuw poëziefestival in Gent.

Geplaatst in Interviews.