Poëzie als boemerang

Martin Berghoef (1979) hult zich het liefst in zwijgen over zijn gedichten, maar toch kon Meander hem enkele uitspraken ontlokken. Hij publiceerde op internet en op papier in: En Er Is, PerVers, Op Ruwe Planken, Opspraak en Meander.

Hoe lang dicht je al?
Graag zou ik denken dat ik al dichtte toen ik in de kinderwagen naar de wolken lag te staren. Dat is natuurlijk niet zo. Ik denk dat ik een jaar of dertien was. Hoe het is ontstaan, weet ik eigenlijk niet. Of uit verliefdheid, of uit eenzaamheid of uit verveling, één van die drie.

Wat wilde je worden toen je klein was?
Ik wilde vroeger profvoetballer worden, maar dat zat er helaas niet in. En treinmachinist, maar daar ben ik van afgestapt toen ik groter werd. Ik weet trouwens nog steeds niet wat ik wil worden. ik hoop ooit schrijver/dichter. 

Martin BerghoefBetekent de titel ‘altocumulus’ iets bijzonders?
Ik vond het best wel stoer staan. Niets meer en niets minder. Het is grappig bedoeld, want vanwege hun patserigheid heb ik eigenlijk een grote hekel aan Latijnse titels.

Kun je iets vertellen over je gedicht ‘Mismoedig’ ?
Ik ben, geloof ik, niet het type dichter dat graag over zijn gedichtjes babbelt. Daar word ik een beetje ongemakkelijk van. Ik voel me bij zwijgen meer thuis.

Maar waarom schrijf je dan gedichten zoals bijvoorbeeld ‘Hemellichaam’? Was er een soort innerlijke drang?
Geen idee. Waarom staat een mens in godsnaam op? Sommige dingen gebeuren gewoon automatisch. ‘Hemellichaam’ werd mij als het ware in de schoot geworpen. Soms heb je het geluk dat je een vallende ster ziet en soms heb je het geluk dat een gedicht je komt aanwaaien. Voor de rest ben ik gewoon een doodnormale huis-, tuin- en keukendichter.

Wat versta je onder een huis-, tuin- en keukendichter?
Een doorsnee dichter: wel aardig, maar niet grandioos. Vroeger vond ik haast alles wat ik schreef fantastisch. Tegenwoordig is dat wel anders. Wellicht ben ik soms te kritisch op mezelf. Hebben dichters iets bijzonders? Het zal wel. Volgens mij heeft iedere dichter wel iets aparts. Je kunt ook zeggen dat alle mensen iets bijzonders hebben. Het is gewoon killing time, net als bij elk ander beroep in de wereld.

Zijn er oudere dichters die je bewondert?
Dat zijn er zoveel:Van Ostaijen, Lucebert, Rilke, Faverey, Brodsky, Bukowski. Maar de meeste bewondering heb ik toch voor Marsman. De vanzelfsprekendheid waarmee hij dicht, is ongekend, evenals de levendigheid die van zijn woorden afspat. Zijn woorden zijn in feite lava. Althans, voor mij. Zodra ik zijn gedichten begin te lezen, knielen al mijn bloedlichaampjes met een groots ontzag. Ja, dan doe je het niet onaardig als dichter. Voor de rest is het puur een gevoelskwestie, dunkt me.

Wat is je favoriete gedicht?
Van mezelf? Daar vraag je me wat. Ik heb niet echt een favoriet van mezelf, serieus. Wel van anderen, zoals ‘De bruid’ van Marsman, of ‘Omdat daar toch niemand zat’ van Faverey of ‘Visser van ma yuan’ van Lucebert. Tot mijn favorieten behoort ook Paul Snoek met ‘Boodschap’. Hij presteert het toch telkens weer om over het hoofd gezien te worden.

Wat wil je bereiken met je gedichten? Werk je aan een bundel?
Ik wil bereiken dat ik word gelezen en niet word vergeten. Uiteindelijk gebeurt dat uiteraard toch, maar voor een paar eeuwtjes onvergetelijkheid zou ik absoluut tekenen. En een bundel? Nee, daar heb ik nog lang niet genoeg goede gedichten voor. Poëzie bedrijven werkt bij mij een beetje als een boemerang: soms gooi ik het in blinde woede weg om het vervolgens weer, God knows when, met open armen te ontvangen. Ik denk dat ik min of meer een periodieke dichter ben.

Wat doe je om niet te worden vergeten?
Toch mooie dingetjes proberen te schrijven en door mensen lief te hebben. Het blijft de vraag of dat iets uithaalt. En ik schrijf voor niemand. Ik schrijf enkel in de tijd.

Geplaatst in Interviews.