Jacob Groot – Divina Noir

Divina Noir is een echte Groot. Maar het is ook een compleet nieuwe. Jacob Groot maakt poëzie die altijd uit een aantal herkenbare ingrediënten bestaat, maar voor iedere bundel mengt hij ze in een andere verhouding. Zo vindt hij zichzelf telkens opnieuw uit, zonder het typische Groot-geluid geweld aan te doen. Dat maakt iedere bundel van hemweer een belevenis. En dat maakt Groot briljant, aldus Bouke Vlierhuis.

Lees verder

Giselle Ecury – vogelvlucht

Giselle Ecury debuteerde in 2004 met Terug die tijd. Nu is er Vogelvlucht, een bescheiden bundel vol met goede bedoelingen, maar poëzie voor mensen die van een gedicht niet meer verlangen dan dat het gevoelig, herkenbaar en vooral begrijpelijk is. Dat mag, maar inhoudelijk en vooral qua taal moet er toch nog wel íets aan te beleven zijn, schrijft Joop Leibbrand.

Lees verder

Aart G. Broek – Het lichten van de jaren

Aart G. Broeks poëziedebuut Het lichten van de jaren telt slechts zeventien gedichten, maar krijgt door de wijze van presenteren iets loodzwaars. Vijf betitelde afdelingen, vijf opdrachten, elf motto’s, drie bladzijden met aantekeningen en een ‘bio-en bibliografische voetnoot’ van twee volle pagina’s – er is niets tegen inbedding en omkadering, maar dit maakt een wel erg pretentieuze indruk. Niettemin is het een opmerkelijke bundel, op het snijveld van Curaçao, Istanbul en Katwijk.

Lees verder

Rim Sartori – Woordkunstwoord

De jonge Zwolse uitgeverij d’jonge Hond durfde het aan een prestigieus kunstboek te maken met werk van twee relatief onbekende kunstenaars. Woordkunstwoord bevat gedichten van Rim Sartori en portretten, tekeningen en fotografiek van Ivo Winnubst. Naast de kwaliteit van de reproducties viel Joop Leibbrand de uitstekende typografische verzorging op.

Lees verder

Klassieker 140: Lucebert – twee handjes

Wim Kleisen bespreekt ‘twee handjes’ van Lucebert . In alle opzichten was de dichtkunst van Lucebert schokkend voor zijn tijdgenoten. Geen traditionele poëtische vormgeving. Met de ratio kom je bij het lezen van zijn gedichten niets verder. Het eerste vers lijkt al raadselachtig: een tichouten handje. Dat woord ‘tic’ komt verder in het gedicht in andere combinaties, maar ook zelfstandig voor. Dit moet dus voor ons haast wel de sleutel tot dit gedicht zijn. 

Lees verder