Stapels papier die de wereld ingaan

Tijs van Bragt (1985) heeft er inmiddels ruim een kwarteeuw op zitten, waarvan hij de helft al bezig is met taal. De geboren Rotterdammer groeide op in Boxtel en woont nu in het Zeeuws-Vlaamse Groede. Hij viel onder meer op bij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.

Hoe lang schrijf je al?
Zo rond mijn twaalfde levensjaar raakte ik voor het eerst geïnteresseerd in het spelen met taal. Ik was een dromer die zich ervan bewust werd dat hij gedachten kon delen. In het begin pende ik schriften vol met verhaaltjes, rijmpjes en gedichten. Poëzie is de vorm van schrijven die ik het prettigst vind, waarin ik de ene keer kan toneelspelen, de andere keer mezelf kan zijn.

Het delen van gedachten, is dat ook waarom je bent begonnen met schrijven?
Waarschijnlijk ben ik begonnen met schrijven, omdat ik veel tijd doorbracht in mijn hoofd. Dingen zoals vergankelijkheid en emoties fascineerden mij, nu nog steeds. De onrust, of drang zoals sommigen het noemen, moest getemd en ik schreef tot de druk uit mijn hoofd verdwenen was. Dat werkt nog steeds zo.

Ben je een snelle schepper of eerder een schaver?
Het gedicht ‘De vreemde eend’, waarmee ik hoog eindigde bij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, stond snel op papier. Dat is niet altijd het geval, maar dat is de uitdaging. Eerder schreef ik tot ik tevreden was en legde het dan weg als ‘af’. Tegenwoordig schaaf ik meer. 

Het resultaat van het lenigen van de druk in je hoofd breng je inmiddels ook naar buiten, bijvoorbeeld dus bij die Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Hoe was het om daar op het podium te staan?
Dat ik in de prijzen viel en steeds hoger eindigde, doet goed. Het geeft zelfvertrouwen. Ook is het een prettig idee dat het resultaat van mijn drang om te schrijven niet blijft kleven in een stapel papier op mijn bureau, maar dat het de wereld ingaat.

Is dat wat je beweegt om met wedstrijden mee te doen?
Ja, inderdaad. Het is de hoop dat anderen, of dat nu een jurylid of een ander is, er iets in herkennen en het waarderen. Daarmee koester ik ook de hoop dat mijn poëzie een beetje tot leven komt en achterblijft bij de lezer. Ik heb wel vaker aan wedstrijden meegedaan, maar vind de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd tot nu toe de fijnste. De waardering betekent bij die wedstrijd voor mij het meest, omdat het landelijk is en anoniem. Daardoor maak je evenveel kans als een ander.

Voor wie heb jij veel waardering in het hedendaagse dicht- of prozalandschap?
Ik lees poëzie en korte verhalen. Ik heb veel verschillende auteurs in mijn boekenkast, maar het liefst lees ik het werk van hedendaagse dichters zoals Lévi Weemoedt en Gerrit Komrij. Het beeldende in hun werk spreekt mij erg aan. Ook het werk van de overleden dichters Jotie ‘t Hooft en Simon Carmiggelt lees ik graag. Carmiggelt beschrijft humoristische en herkenbare situaties. Ik kwam met zijn werk in aanraking toen ik ‘Torren aan de lijm’ vond in een boekwinkel, en het trof me meteen. Qua korte verhalen lees ik Martin Bril, dat leest ontspannen en brengt vaak een glimlach met zich mee. Ik zoek vooral herkenning in het lezen van andermans werk.

Waartoe hoop je dat je schrijverschap uiteindelijk leidt?
Ik hoop dat er ooit een mooie bundel van mijzelf komt, die mijn gedachten tastbaar maakt. En dan is het aan de lezer om mijn wereld in te stappen. Of die nu gespeeld is of echt.

Geplaatst in Interviews en getagd met .