Ellen Deckwitz – Hoi feest

Van bewegen blijf je langer in leven

door Roel Weerheijm

Hoi feest is in veel opzichten de tegenpool van Deckwitz’ debuut De steen vreest mij. De bundel is uitgelaten en vrolijk, soms bijna manisch. Hoi feest viert het leven en de liefde. Tegelijk is de bundel introspectief. De ‘ik’ (ik neem aan een vrouw) stelt zich naakt en kwetsbaar op, niet om zichzelf te kwellen met haar tekortkomingen of slechte kanten, maar vanuit de behoefte om eerlijk te zijn tegen het publiek. Dit is wie ik ben en dit is hoe mijn jongvolwassen (liefdes)leven eruit ziet, lijkt ze te zeggen. Take it or leave it.

De bundel opent met twee, relatief rustige zelfportretten in tweede persoon enkelvoud. ‘Polsen en handen zijn een hangbrug/ onder sleutelbeenderen. Je hoofd staat erboven,// schommelend trekt het je armen uit de kom/ tot je touwtjespringen kan.’ En in het tweede gedicht:

(…)
Nog is mijn hart groter
dan deze knokenkluwen
die ik zachtjes zet

tegen het hoofd. Zo van
ik lok je god. Het is weer goed.

Dan volgen vijfentwintig titelloze gedichten vol sterke, zintuiglijke beelden: een wervelwind van uiteenlopende emoties, doldraaiende caleidoscopische zinnen over leven en vooral: liefde. De eerste zin van het eerste van die gedichten luidt: ‘Zo belanden we elke ochtend met een rotsmak/ in ons lijf.’ We verlaten dat lijf daarna niet meer.

Hoi feest raast vrijwel ononderbroken door, alle zintuigen maximaal actief. Of misschien: het hele lichaam maximaal actief. Via die fysieke waarnemingen en metaforen dreunen de gevoelens van de ‘ik’ door. Dit is duidelijk zichtbaar in deze passages, de eerste drie strofes van een van de eerste gedichten:

Hij haalt diep adem, wijst naar het geraamte
van een gebouw en zegt vervolgens:

dat is net een geraamte.

O jee, was ik maar een geraamte. Of nog
magerder. Dan kon ik eindelijk sijpelen
door de muur tussen ons. Molecuul voor
molecuul mezelf langs de wand kantelen.

Tijdens het lezen van de bundel voelde ik bij sommige passages, bijna letterlijk, bloed door aderen gonzen, proefde ik het parelen van zweetdruppels. Die momenten deden me denken aan Verzen 1890 van Herman Gorter, eveneens een bundel met een gevoelige inhoud die is geschreven in een taal vol lichamelijkheid en zintuiglijke beelden. Ook Verzen 1890 blijft dicht op de huid, hoogst persoonlijk, eerlijk en nietsontziend, en tegelijk voor een groot publiek heel toegankelijk.

Wat Verzen 1890 niet heeft: regelrecht seksuele passages. Meerdere malen zit Deckwitz gevaarlijk tegen het expliciet-erotische aan:

(…)
Je sjort wat, je duwt wat,
je vindt iemand zo leuk
dat je het gewoon niet meer aankan

dat hij rechtop staat. Ik stelde me altijd voor
dat als ik iemand zoende,
ik in hem belandde.

Geen risico nemen is het grootste risico dat je kunt nemen, zei dirigent Jaap van Zweden een tijdje geleden in een interview. Gelukkig neemt Ellen Deckwitz risico, ook met deze naar platvloers seksisme neigende zinnen. (Overigens zijn niet alleen mannen een lustobject voor de ‘ik’.)
Ik citeer nog een passage waarin dit alles samenkomt met Deckwitz’ sterke gebruik van gebruik van enjambement:

(…)
Ze [dames, RW] luisteren
het liefst naar hun eigen gekrijs.
Beschouwen mannen als peuken

waarbij ze het vuur van de een naar de ander
alleen maar hoeven

over te neuken. Dan ontvouwen ze zich even
tot vrouwen. Pikken

met hun zwarte tronies in mijn kopje.

Mocht ik intussen de suggestie hebben gewekt dat Hoi feest misschien de ondertitel ‘hoi seks’ zou mogen dragen – dat is niet wat ik bedoelde. Maar ik kom zelden poëzie tegen waarin zo expliciet een verlangen naar seksuele liefde in zulke treffende zinnen is vervat. Voor (pseudo-)wijsheden is in de bundel nauwelijks tijd. ‘Van bewegen blijf je langer in leven,’ staat in het openingsgedicht. En verderop lezen we over wormpjes dat ‘als je ze in tweeën knipt, de delen los van elkaar verder kleven (sic).’ Met dit soort zinnen keert de donkere wereld van De steen vreest mij onverwacht in deze bundel terug. Er zijn maar enkele van zulke momenten, maar ze zijn telkens raak en vormen daarmee een krachtig en effectief contragewicht voor het overige.

De spaarzame gedichten met een rustiger tempo laten meer van de introspectieve kant van Hoi feest zien, en de plek van de ‘ik’ tussen, of naast, de mensen. Een treffend gedicht, dat blijkt te zijn geschreven voor DWDD-huisdichter Nico Dijkshoorn, citeer ik in z’n geheel:

Het zou kunnen dat ik het op deze foto ben,
een kind met een kist op zijn rug.

Ze eens vroegen wat daarin werd verborgen
en ik zei: mijn instrument.

Ze nog probeerden dat muziek zo vrolijk stemt
en ik ermee naar het feest moest,
al was het maar om even hoi te zeggen.

Of het zo bedoeld is, wie zal het zeggen. In dit naar de titel van de bundel verwijzende gedicht lijken de wereld binnenin de bundel en de wereld erbuiten (het beeld van de rondreizende nar, de uitgebeende versie van een mens zoals de buitenwereld de muzikant, of dichter, benadert) mooi samen te smelten. Dit gedicht is wellicht het eerlijkste, meest naakte portret van de ‘ik’ uit Hoi feest: een waarnemer van zichzelf en van de buitenwereld, waarmee zij op ambivalente voet lijkt te staan.

Als ik een hoed droeg, had ik hem afgenomen en stil gebogen. Hoi feest is een prachtbundel.

***
Ellen Deckwitz (1982) is dichter, literatuurwetenschapper en performancekunstenaar. In 2008 werd ze voor Meander al geïnterviewd door Jeroen Dera.
Ze won in 2009 de Meander Dichtprijs en het NK Poetry Slam. Sander de Vaan had toen een interview met haar.  Zie ook hier.
Haar debuut De steen vreest mij (2011) werd onderscheiden met de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van 2011-2012.

Geplaatst in Recensies.