Maskers, missers en erkenning

Josse Kok (29) woont in Dordrecht en werkt in een staalmagazijn. In zijn vrije tijd schrijft hij gedichten en treedt op. Begin 2010 is hij aan Poetry Slams mee gaan doen en dat leverde hem een derde plaats op bij het NK Poetry Slam van 2011. Momenteel probeert hij een bundel samen te stellen en gepubliceerd te krijgen. Zijn favoriete dichters zijn Ingmar Heytze, Mark Boog en Menno Wigman.

Lees verder

Gedichten

Josse Kok

Stamgast

Ik draag een hemel in mijn hoofd.
Daarin ben jij ook uitgenodigd.
Sterker nog, je moet er zijn.
Die engelen, ze roken niet.

De barman met de witte baard
zal ons een straffe drank
serveren. Dat is hem geraden.
Ons gezelschap, onbetaalbaar.

De laatste ronde is voorspeld.
Met horeca zijn wij bekend.
De hemel in een dronken hoofd
giet ons vol bijgeloof.

Lees verder

Een pleidooi voor de poëzie en de vrijheid van de dichter

Giuseppe Conte (Imperia, 1945) is een van de invloedrijkste Italiaanse dichters van deze tijd. Hij is bekend als romanschrijver en essayist, maar vooral en in de eerste plaats als dichter. In de jaren negentig was hij mede-oprichter van het Mitomodernismo (1995-1996), een nieuwe stroming in de Italiaanse literatuur. Ook vertaalde hij poëzie van Blake, Lawrence, Shelley en Whitman, waardoor hij niet alleen in Italië maar ook daarbuiten bekendheid geniet. In 1983 brak hij door met de bundel L’Oceano e il ragazzo (De oceaan en de jongen) met een voorwoord van Italo Calvino. Voor zijn bundel Ferite en rifioriture (Verwondingen en wederopbloei) die in 2006 uitkwam, ontving hij in Italië de Premio Viareggio.

Lees verder

Gedichten

Giuseppe Conte

Vreemde woorden aan zijn vrouw

Het moet gisteren rond een uur of twee of drie
‘s morgens geweest zijn toen ik in bed kwam
liggen en tegen je praatte.
Je lag al te slapen en ik drukte mijn wimper
tegen jouw warme wimper. Ik sprak vreemde woorden
tegen je over eeuwige liefde
mijn poging was tragisch
als de vervallen regels van het spel
Zo liggen achter onze oogleden en ogen de banen
van planeten. Onze vingers zijn van steen en we hebben
heupen van aarde, onze voeten zijn vloeiend als een meer
en tot ranken en nesten voor uilen geworden.
We zullen niet meer samen zijn. We zullen er niet
meer over spreken. Een toekomstige wind zal langs
onze ramen huilen, de wind van een verre zee
wij zullen muizen, kwallen, bloemen
zijn

uit : Dialoog tussen een dichter en een boodschapper (Mondadori, 1992)

Lees verder