Klassieker 164: Ester Naomi Perquin – Vanmorgen werd ik opgebeld…

door Wilma van den Akker

Meander Klassieker 164

Wilma van den Akker bespreekt een bijzonder (lang) gedicht van Ester Naomi Perquin. Een prozagedicht misschien? Als poëtisch element is het stijlmiddel ‘opsomming’ of ‘enumeratie’ ruim vertegenwoordigd. Het eigenlijke onderwerp is miscommunicatie. Of misschien wel identiteit – een thema dat we vaak in het werk van Perquin tegenkomen.

*

Vanmorgen werd ik opgebeld door een mevrouw die wilde weten
of ik Richard was. Dit was nooit eerder voorgekomen.

Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
– kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen –
maar Richard heeft niemand mij gevraagd.

(Ondertussen ruist de stilte van twee kanten in een oor.)

Er is een ander leven vóór ik antwoord geef, volop mogelijkheden,
voor het zelfde geld had het materiaal waaruit ik besta
een andere vorm of naam. Wat als ik ja zou zeggen,
ja, ik ben het: Richard. Bent u dat moeder?
Wat is het lang geleden.

Zou ik door Richard te worden ook Richard zijn, inclusief lichaam,
ademhaling, geheimen, de manier waarop hij ’s ochtends vroeg
zijn veters strikt? Houdt hij bijvoorbeeld van pastinaak?

Zou zijn moeder de verbinding verbreken
of uit standvastigheid
of uit eenzaamheid
of uit gezelligheid
in mij geloven?

Is Richard nog in leven of belt zij steeds een ander op,
vraagt ze naar hem omdat wie weet toch iemand zegt:

Richard? Ja hoor. Die is boven.

Laat niemand haar vertellen dat Richard is verdronken, dat hij is
verdwaald, ontvoerd, verongelukt. Was er niet ergens
een feestje, een man? Heb ik Richard niet alleen
gekend maar zelfs gekust, gesproken,
dronk hij wijn, lachten we samen?

Nu, precies nu is het nog mogelijk geen geluid te maken,
op te hangen of met zakjes te gaan kraken alsof we – helaas –
zijn ingesneeuwd, ik kan u niet verstaan.

Ik stel me haar voor, ze staat in een donkere kamer, kijkt vragend.
Maar ik dan? Waar haal ik op dit uur een Richard vandaan?

Mevrouw, de eerlijkheid gebiedt mij u te zeggen
dat ik Richard niet ben, nooit ben geweest
en niet herken, hoewel onze nummers
misschien weinig verschillen, onze levens
zijn gescheiden door een acht, een vier, een twee.

Er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal
maar wier moeders mij niet kennen, niet zullen bellen.

U verspilt uw tijd, ik besta slechts uit halve stemmen,
halve gezichten, geen Richard waardig, geen hond
heb ik ooit meer gebracht dan halfslachtige aanwezigheid.

(Er klinkt een vastbesloten stilte op de lijn.)

Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee
dat het iemand zal lukken.

Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.


Ester Naomi Perquin (1980)

uit: Namens de ander (2009)
uitgever: Van Oorschot

Vooraf
Dit titelloze gedicht staat in dichterskringen bekend als ‘Richard’. Dat is begrijpelijk, omdat het in dit gedicht helemaal draait om een afwezige, die Richard heet. Het eigenlijke onderwerp is miscommunicatie. Wie heeft het niet meegemaakt? Er wordt gebeld, maar de beller heeft een verkeerd nummer gedraaid of getoetst. ‘Verkeerd verbonden’ is de incorrecte benaming voor dit verschijnsel. Duidelijk. Einde verhaal.
Het overkomt iedereen. Het is mij zelfs gebeurd dat iemand nóg een keer belde om verhaal te halen. Hoe kon het nou toch dat ik de telefoon aannam en niet degene die zij belde? ‘Mevrouw, ik kan er niks aan doen dat u een verkeerd nummer hebt ingetoetst.’
‘Val mij niet lastig,’ dacht ik en zette mijn gesprek voort, dat door de telefoon was onderbroken. Daarna vroeg ik me pas af, wat de reden kon zijn dat de belster zo gefrustreerd reageerde. Ik probeerde me in haar te verplaatsen. Was zij oud, vergeetachtig, in de war? Niet in staat om zich te verplaatsen in mij, aan de andere kant van haar lijn? Voor een zinvol gesprek is het nodig dat de sprekers hun best doen om begrijpelijk te zijn en om de ander te begrijpen. Maar dit gesprek begon meteen met een misverstand. Zoiets draait al gauw uit op irritaties.
Iets dergelijks moet Ester Naomi Perquin overkomen zijn, als aanleiding om dit gedicht te schrijven. Of helemaal niet. Poëzie kan volkomen verzonnen zijn, maar laten we er even van uitgaan dat dit gedicht gebaseerd is op het herkenbare, universele gegeven van miscommunicatie. In zo’n geval ruikt een dichter een gegeven om de poëzie te bedrijven.
De telefoon gaat. De ‘ik’ in het gedicht neemt op en zegt, bijvoorbeeld: ‘Met Ester.’ Misschien heeft zij de gewoonte om op te nemen met: ‘Met mij,’ ervan uitgaande dat wie haar ook belt, haar moet hebben en haar stem zal herkennen. De belster stelt een volkomen misplaatste vraag. ‘Richard, ben jij dat?’
Nou nee, dat lijkt me duidelijk. Het kan zijn dat Ester en Richard samen een huis delen, maar uit de rest van het gedicht blijkt dit niet. Het goede antwoord is: ‘Nee mevrouw, ik denk dat u een verkeerd nummer heeft gebeld.’ Einde verhaal.

Uitdijend universum
Maar de dichter Perquin weet dit gegeven prachtig uit te werken tot een universum aan mogelijkheden. Zij rekt de tijd uit door een uitvoerige gedachtegang weer te geven. Er is haar eerder gevraagd iets of iemand anders te zijn. Iemand uit het verleden, iemand die rokjes droeg, of iemand die praat als een non. Zij somt een aantal rollen op, die zij wel of niet (meer) wenst te spelen. ‘Richard zijn’ is een nieuw verzoek. Zal zij aan het verzoek voldoen?
Er ontstaat een lange denkpauze, waarin de ‘ik’ mogelijkheden tot antwoorden afweegt. Zal zij zich coöperatief tonen en Richard worden? Uit haar eigen ‘materiaal’ een Richard vormen, zich in al zijn eigenschappen en gewoontes verplaatsen en de belster antwoorden: ‘Ja, ik ben het moeder.’ Dat de belster Richards moeder is, is een aanname. Zij zou evengoed een tante kunnen zijn, een buurvrouw of een vriendin. De ‘ik’ maakt hier een mogelijke fout, vergelijkbaar met die van de belster, ze neemt aan dat de mevrouw Richards moeder is. Het universum aan mogelijkheden en mogelijke misverstanden dijt uit.
Stel dat zij het spelletje meespeelt en Richard wordt, of tenminste beweert dat zij inderdaad Richard is, dan kan de mevrouw die belt op verschillende manieren reageren: ophangen, omdat zij beseft dat er iets niet klopt, of het antwoord geloven om uiteenlopende redenen: ze houdt het spelletje van haar kant vol, of ze is eenzaam en vindt het hoe dan ook gezellig om een telefoongesprek te voeren.
Een volgende wending in de gedachtegang is: het zou kunnen dat Richard dood is en dat de mevrouw tegen beter weten in willekeurige mensen belt, omdat zij wil horen dat hij nog leeft. ‘Hij is gewoon boven, ik haal hem wel even.’ Zij wil in geen geval horen dat Richard dood is of verdwenen. Voor wie gelovig is, kan het een geruststellende gedachte zijn, dat met ‘boven’ de hemel wordt bedoeld. Zou mevrouw dat graag horen: ‘Richard is in de hemel’?
Nu vraagt ‘ik’ zich af, of zij geen Richard kent of heeft gekend. Is het mogelijk dat Richard op een of andere manier een schakel vormt tussen haar en de bellende mevrouw? Het moet niet gekker worden. Nog even en ‘ik’ gaat zich echt voorstellen dat zij Richard is, of met hem samenleeft. De vraag van mevrouw wordt dwingend, een eis: ‘Jij bent Richard, punt uit.’
Dit, ‘Nu’ is het moment om een einde aan het gesprek te maken. Door te zwijgen, gewoon op te hangen of een slechte verbinding te simuleren. ‘Ik kan u niet verstaan:’ alweer een vorm van slechte communicatie. Jammer voor mevrouw, maar die zou zich eens in ‘ik’ moeten verplaatsen: ‘ik’ kan toch niet zomaar een Richard voor de dag toveren?

Spiegel
Het lijkt erop dat ‘ik’ besluit eerlijk te zijn en toe te geven dat zij Richard niet is en ook niet kent, ook al is er maar een cijfer verschil tussen hun telefoonnummers. De vergelijking gaat nog verder: ‘er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal’ lees ik als huisgenoten, familieleden, vrienden. Hun moeders kennen haar niet en bellen haar niet. Zo weinig weten naasten van haar af. Er volgen nu een aantal ‘de druiven zijn zuur’-argumenten: Ik ben sowieso de moeite niet waard, in tegenstelling tot Richard. Ik laat maar de helft van mijn stem horen, de helft van mijn gezicht zien, ben altijd maar half aanwezig. ‘Ik’ is een toonbeeld van halfslachtigheid, terwijl Richard waarschijnlijk volkomen Richard is. Als hij er is.
De belster blijft stil, wat wordt opgevat als vastbeslotenheid. Vastbesloten tot wat? Tot volhouden dat Richard aan de lijn is, of tot het volhouden van het gesprek, met om het even wie? Is het hardnekkige ontkenning van het gegeven dat Richard niet aan de lijn is, of erger, dat Richard is verdwenen of gaan ‘hemelen’?
De gebelde suggereert dat zij het best mogelijke doet: ze wenst de mevrouw toe dat het ooit iemand zal lukken om Richard te zijn. Meer heeft ze niet te bieden. Tegelijkertijd houdt ze haar een spiegel voor en toont haar dat ze het onmogelijke wenst. Domme mevrouw. Wie kan het lukken om Richard te zijn, behalve Richard zelf?
Communicatie, in het bijzonder telefonische communicatie: een universum aan mogelijke misverstanden. Het mag een wonder zijn als wij elkaar ooit wél begrijpen. Niet alleen woorden spreken een rol, maar ook toon en onderliggende verlangens. Je moet het als luisteraar maar begrijpen. In mijn strengste buien vind ik dat sprekers de plicht hebben om begrijpelijk te zijn. Laat de complicaties maar aan een dichter over. Dan wordt het misverstand weer amusant, zoals in ‘Richard’ van Perquin.

Vormaspecten
In het voorafgaande ben ik helemaal voorbijgegaan aan de vorm van dit gedicht. Dat komt doordat mijn aandacht meteen werd getrokken naar de beschreven situatie, die even herkenbaar als bizar is. Het gedicht heeft dan ook geen specifieke, vaste vorm. Je zou het een prozagedicht kunnen noemen, een weergave van een vrij eenzijdig gesprek en de daardoor ontstane gedachtegang.
Als poëtisch element is het stijlmiddel opsomming of enumeratie ruim vertegenwoordigd. Het is een en al opsomming van mogelijkheden met daarbinnen korte opsommingen, zoals:

Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
– kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen –
Richard heeft niemand mij gevraagd.

En:

Zou zijn moeder de verbinding verbreken
of uit standvastigheid
of uit eenzaamheid
of uit gezelligheid
in mij geloven?

Zulke opsommingen zijn beslist niet uitputtend. Daardoor versterken ze de suggestie van het uitdijende universum aan mogelijkheden. Beeldspraak herken ik in de ruisende en vastbesloten stiltes in de regels die tussen haakjes staan. Door de haakjes fungeren die regels als ‘terzijdes’ of regie-aanwijzingen die de gedachtegang onderbreken.
De stilte wordt gepersonifieerd: zij ruist en is vastbesloten. De stilte versterkt de geladenheid van het gesprek en van de gedachtegangen aan weerszijden van de telefoonlijn. En het misverstand wordt groter, de communicatiekloof onoverbrugbaar. Het werkt komisch, maar stemt ook treurig.

Bio
Ester Naomi Perquin (Utrecht, 1980) groeide op in Zierikzee en woont in Rotterdam. In 2006 studeerde zij af in poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam.
Perquin debuteerde in het voorjaar van 2007 met Servetten halfstok (2007). (Zie hier voor een rapportage op Lezentv.nl.) Voor deze bundel ontving ze in oktober 2007 te Brussel de debuutprijs Het Liegend Konijn. Daarna verschenen Namens de ander (2009) en Celinspecties (2012).
Perquin is redacteur van Tirade en sinds 2011 stadsdichter van Rotterdam. Meer achtergronden zijn de vinden op DBNL.


Wilma van den Akker

Geplaatst in Klassiekers.