Frans Kuipers – Molwerk

Een speelse diepgraver

Levity Peters

Het is onmogelijk om als recensent een dichtbundel niet tekort te doen. Er zijn zoveel factoren die bij het schrijven van poëzie een rol spelen, dat het onmogelijk is om ze allemaal te kennen. Ik proef bij andere recensenten niet zelden het genoegen een regel te herkennen van een bekende poëet, en ik voel met ze mee. In de afdeling ‘Molwerk’ van de gelijknamige bundel van Frans Kuipers (1942), las ik op blz. 27:

        ‘Ik: nu eens een roerloze woelgeest/ dan weer een zingend everzwijn.’

Lucebert herken ik dan nog wel, maar hoeveel citaten zullen mij nu weer ontsnappen, simpelweg omdat het werk niet gelezen heb? Van Kuipers heb ik de vorige, lovend ontvangen bundel Wolkenjagen ook niet gelezen, en ik moet bekennen dat ik dat erg jammer vind. Toen ik de bundel Molwerk opensloeg las ik:

VROEG AL je regengelaat aan mijn raam zien staan
versierd met al de dronken lichtjes van de straat.

Punt.
Wat mooi! Dit kon niet meer stuk. Hier is geen ‘would be’ dichter aan het woord, maar een werkelijk talent. Na dat gedichtje werd ik gretig. Het volgende probleem dook op: wat kies je uit een schatkist om te laten zien hoe bijzonder/knap/mooi/overtuigend/ innemend/ het werk is van een dichter die je raakt?

Je begint maar gewoon aan het begin.
De bundel bestaat uit vier afdelingen. Daaraan vooraf een kort gedichtje:

TE DOETERNIETTOE om nooittelaat
daar heeft zij met mij afgesproken.
Ach mijn oh en au is zij,
het hondsdiep van mijn nooddruft,
de schipbreuk van alle zekerheid.

Naar mijn idee verwijst Kuipers in bovenstaand gedicht naar iets heel essentieels: waar de meeste mensen van een relatie zekerheid verwachten, daar weet Kuipers wel beter: liefde slaat alle zekerheid onder je weg, maar in het vertrouwen dat je zo bij de ware, betrouwbare aard van het leven belandt. Liefde plaveit de weg naar zelfverlies.
Natuurlijk is dat hoe ik het gedichtje zelf invul. Daar is geen ontkomen aan. Elke recensie is de persoonlijke mening van een recensent, die hopelijk zo onbevooroordeeld mogelijk en naar beste vermogen zijn oordeel geeft.
Waar val ik op?

Ik mag graag kijken in de ogen van zuigelingen.
Niemand geneest van zijn moeder.

[blz. 14]

 

MIJN GROOTVADER kon
in kaas de gaten horen vallen als het stil was zei ie.

Mijn vader kon
de madenmondjes horen smakken als het stil was zei ie.

Maar mijn moeder kon
in alle talen van de aarde
een zee van smeekbeden horen als het stil was zei ze.

[blz. 34]

Het is even moeilijk uit te leggen waarom dit prachtige poëzie is, als dat het ondoenlijk is om te vertellen waarom je iemand van wie je houdt mooi vindt. Je hart loopt simpelweg over, je bent ontroerd. Wanneer dat niet genoeg lijkt, kun je er allerlei zaken bij halen die uiteindelijk van minder belang zijn: de moeder die voelt hoe er een beroep wordt gedaan op haar mededogen, terwijl de mannen gericht zijn op de dood, de noodwendige veranderingen, het feit dat het leven op leven teert. Het gedicht overstijgt deze benadering.

In een gedicht op blz. 36 schrijft Kuipers als laatste regel:

Aan een draadje zo dun als het leven dat alles.

De poëzie van Frans Kuipers ademt een poëtische levenshouding. Daar bedoel ik mee dat de feiten waarover hij schrijft, voor hem een diepte hebben die een gemeenschappelijke grond verraden. Alles wat hij waarneemt ervaart hij als op een geheimzinnige manier aan hem gelieerd. Een voorbeeld:

EN DE STERREN boven peppel en pannendak
die hebben het gezegd toen: zwerver.
En in het boek der Genen (oom L., oom H.)
geschreven stond het net zo (dat een in zijn eentje
vroeg al weerleggen zou al het gelijk van de wereld
met niets anders dan het gewicht
van zijn krullen).

Opnieuw is het grappig om dit te interpreteren en te merken hoe de poëzie elke duiding overstijgt. Dat verduidelijkt ook de onzinnige vraag wat poëzie nu precies is; je hebt er alleen een bepaalde gevoeligheid voor nodig. Ik weet het: velen missen die. Ikzelf mis elke gevoeligheid voor wiskunde. En voor gastronomie.

Bij elk gedicht dat ik las, was ik weer verbluft door het taalmeesterschap van Kuipers. Wat heet verbluft: perplex! Hij weet muziek in taal te schrijven, hij is in zijn woordkeuze een meester; niet alleen staat elk woord op de meest geëigende plek, maar is juister dan welk synoniem ook. Hij weet met zijn woorden en beelden andere woorden en beelden aan te trekken. Niet eerder las ik een dichtbundel met zo’n dichtheid aan staande uitdrukkingen en zegswijzen. Het mooiste: hij speelt. Hij is een heerlijke woordbouwer: ‘het eendeneeuwig wolkenwater schuimde in de sloten’ (blz. 53).
Onder al het taalspel heeft hij de teugels zo vast in handen dat hij exact uitkomt waar hij wil: het in kaart brengen van het onbestendige:

TEL DAARBIJ op het feit dat van zitten noch lopen
sprake kan zijn als wij met hoge snelheid
ronddraaiend
koersen naar allerlei kanten.
Wij: duizelruimtevarenden.
Wij: door een bleue waterplaneet uitgedroomden.
Dat je je bevindt in een
vuurwerk
te midden van gigantische explosies en erupties
denk daar eens aan
als je zit bij het raam
van je trein of je bus wellicht doet het je
goed.

[blz. 29]

Klinkt het vreemd wanneer ik dit een humoristisch gedicht vind?

Was ik er door woorden als nooddruft, jota en Job, woorden die refereren aan de bijbel, al opmerkzaam op geworden, in de reeks ‘Landschappen, Seizoenen’, is het een zij die de waarschijnlijk religieuze insteek van de dichter onder woorden brengt:

‘God,’ zei ze, plotseling voorlezend ‘snachts
vanachter de witte sluier van haar klamboe,
‘God is van de vele wezens
in de groootsterrendommen
van dit heelal het uiteindelijke doel van de reis.’

Religie in de werkelijke betekenis van het woord: hereniging; daar hoef je niet religieus voor te zijn, het is het gevoel deel uit te maken van dat ene universele leven, dat een absoluut onvoorstelbaar heelal omvat.
Aan het einde van de bundel schreef Kuipers een soort verantwoording waarmee ik graag afsluit:

Tot slot

EVENALS alle belangrijke, onontbeerlijke zaken
(zonlicht, zuurstof)
is poëzie van niemand en iedereen.
Het toeval en het onophoudelijke toeval alleen
voorziet straten en wegen
in het broodnodige, onvoorspelbare leven.
De omstandigheden kunnen niet anders dan samenlopen.
Tijdloos en onafzienbaar
is de alles verzwelgende, ieder ten dans vragende,
wilde, wijde, sirenen-zingende zee.
Poëzie is mijn kleine boot op die zee.

Poëzie is
27 augustus 2013 omdat het vandaag 27 augustus 2013 is.
De maan en de roos en het bloed weten daarvan.

Allen die mij voorgingen. Alles wat blijft.
De geestdrift en de wanhoop,
de onontkoombare waan en verwarring van een sterveling,
het cadeau gekregen licht van zijn cadeau gekregen ogen,
aanleiding is de poëzie
en enig geldend excuus voor het schrijven van
gedichten.

Ik kijk uit naar de volgende bundel met door de poëzie van het leven opgeroepen gedichten.

Geplaatst in Recensies.