Lambert Wierenga – Ziezo poëzie. 48 moderne nederlandse gedichten in de kijker

Het zwijgen verbreken

door Joop Leibbrand

Lambert Wierenga schreef met Ziezo poëzie. 48 moderne nederlandse gedichten in de kijker een vervolg op het in 2011 verschenen succesvolle Zo werkt poëzie! Techniek en thematiek in 60 moderne nederlandse gedichten.
Wat gold voor het eerste boek, geldt onverminderd voor het tweede. Gedreven door door zijn bewondering voor het lef, de originaliteit, de ambachtelijke en artistieke vaardig­heid, de gevarieerde techniek en de vitale thematiek waar moderne gedichten blijk van geven, maakt Wierenga deze via beschrijvingen, toelichtingen, analyses en interpretaties toegankelijk.

Al ziet hij opnieuw beginnende poëzielezers nadrukkelijk als doelgroep, de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij toch eerder de ervaren lezers bedient. Het begrippenapparaat dat hij op het gebied van verstechniek, thematiek en grammaticale analyse hanteert en vooral ook het taalniveau waarop hij schrijft, stelt tamelijk hoge eisen aan de lezer die af en toe flink zal moeten doorbijten, want de wetenschapper die Wierenga is verloochent zich niet. Dat is geen groot bezwaar, want het dwingt, ook door de hoge informatiedichtheid, nog eens extra tot langzaam en zorgvuldig lezen.
Stap voor stap, regel voor regel en vaak woord voor woord en meer dan eens vanuit een andere optiek herbeginnend, nodigt Wierenga de lezer uit met hem mee te lezen. En via hem als het ware met het gedicht zelf en dus uiteindelijk met de dichter, die trouwens in bijna alle besprekingen op de achtergrond blijft, de tekst staat voortdurend centraal.

Ziezo poëzie is opgebouwd rond zes thema’s – ‘Poëzie’, ‘Beelden’, ‘Reflectie’, ‘Zoeken’, ‘Nostalgie’ en ‘Lamento’ – waarbij telkens acht gedichten horen, voor het merendeel van recente datum en origineel gekozen. Het ijzeren canonrepertoire ontbreekt volledig.

Vooraf plaatst Wierenga enkele citaten die in hun onderlingen samenhang perfect weergeven hoe het willen begrijpen van poëzie eigenlijk de onmogelijkheid van een ‘juiste’ uitleg uitsluit.
Na Montaignes bekende uitspraak dat goede poëzie regels en rede te boven gaat en dat het makkelijker is gedichten te maken dan ze te begrijpen, citeert hij eerst Nooteboom: ‘poëzie gaat nooit over die ene oorlog/ maar altijd over/ de’ en laat daarop twee citaten van Bernlef volgen. Het eerste: ‘Waarom zoveel betaald/ voor een dunne bundel?// Om de afwezigheid van woorden/ om de aanwezigheid van een vermoeden// Je kijkt naar buiten en/ net als hier is daar niets/ dat het zwijgen wil verbreken.’ Het tweede: ‘en wat doet die lezer? Het legt het gedicht opzij/ kijkt op en ziet hoe vervuld van de wereld hij is geraakt’.
Wie dit als waarheid ervaart en zich er nochtans toe zet de hem aansprekende gedichten te ‘verklaren’, dus toch de pretentie heeft aan het licht te brengen wat in de vaak raadselachtige taal en gecompliceerde procedés van de dichter ligt opgeborgen, moet wel een gedrevene zijn.

In een kort voorwoord stelt Wierenga terecht dat interpreteren, het achterhalen en vastleggen van een betekenis, niet het eerste is waar een gedicht voor is. Geen dichter schrijft met de bedoeling verklaard en uitgelegd te worden. Maar in zijn taalconstructies verwoordt hij iets dat alleen op déze, misschien raadselachtige manier gezegd kon worden en dat noopt de beschouwer van de tekst tot onderzoek van de typerende taal, de kenmerkende stijl, het retorisch raffinement.

‘De lezer zal zich moeten inzetten’, schrijft Wierenga bij de behandeling van ‘Ridder’ van Mark Boog, en dat is niet te veel gezegd door iemand die het prototype van de participerende, zich identificerende lezer is met een verbluffend vermogen tekstverbanden te doorgronden.

Ziezo poëzie biedt veel voortreffelijke besprekingen. Er staat geen zwakkere tussen en zelfs als een gedicht je weinig zegt, is het altijd tenminste voor de tijd van de bespreking opgelicht.
Een paar analyses sprongen er voor me uit: die van ‘Verbroken’ van Hagar Peeters, ‘Er is een kind in mijn leven’ van Ed Leeflang, ‘Het landschap’ van Bernlef, ‘Een groot nadeel van er nog niet zijn’ van Tjitske Jansen, ‘Tijdopname’ van C.O. Jellema (met ‘Georgica’ van Ida Gerhardt een van de weinige klassiekers), ‘Juli en onverdraaglijk herfstig’ van Elly de Waard, ‘Ik stond weer op de plek waar je verstoof’ van Pieter Boskma en vooral ‘De zoon’ van Hester Knibbe.
Ik vraag me daarbij wel af in hoeverre mijn waardering voor de gedichten de appreciatie van de bespreking bepaalt. Iedere lezer zal daarin zijn eigen keuzes maken.

Met zijn twee boeken heeft Wierenga nu al 108 moderne Nederlandse gedichten ontsloten. Ik vraag me af of het hierbij blijft. Vooralsnog: hulde!

****
Dr. Lambert Wierenga (1934) was voor onderzoek en onderwijs in de literatuurwetenschap en de Franse literatuur verbonden aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Hij heeft niet alleen op het gebied van taal, literatuurwetenschap en poëzie, maar ook over godsdienst een groot aantal publicaties op zijn naam staan.

Geplaatst in Recensies.