Roland Jooris – Sculpturen

Gedichten om te bekijken 

door Hans Puper

De laatste bundel van Roland Jooris heeft als titel Sculpturen, telt zevenentachtig gedichten en is een bloemlezing uit al zijn poëzie. Hij heeft hem samengesteld met de poëziespecialist Bart Van der Straeten. De gedichten zijn gekozen op grond van zijn huidige poëtica en daarmee zijn er nogal wat bekende gedichten verdwenen. De eerste afdeling heet ‘Gedichten 1958-78’ en verschilt nogal van zijn eerste bloemlezing met dezelfde titel uit 1978; de andere afdelingen hebben de namen van zijn bundels sinds 1982. De bloemlezing eindigt met tien nieuwe, nog ongepubliceerde gedichten en wordt  ingeleid door Carl De Streycker, directeur van het poëziecentrum, publicist en wetenschappelijk medewerker aan de Universteit Gent. Het citaat uit het gedicht ‘Honger’ waarmee hij het essay opent, geeft al een idee van die poëtica:

Zijn werk is een gebaar
dat zich wegkapt, een
sprakeloos houwen in
nog stenige
taal

Jooris schrijft al vanaf 1958, net zolang als K. Schippers, met wie hij aanvankelijk verwantschap vertoonde: de verwondering over de werkelijkheid, het bijzonder maken van het schijnbaar onbeduidende, het onopgemerkte – iets wat je ook zag bij de Vlaamse neorealisten. Schippers bleef daarbij: voor hem blijft de werkelijkheid onderwerp voor een nooit eindigend onderzoek.  Jooris is een andere weg ingeslagen, of beter gezegd: een poëtica die in aanleg al aanwezig was, is gaan domineren.

Zijn huidige poëtica is uiteraard zichtbaar in zijn nieuwste gedichten. Ik citeer ‘Genese’, het laatste van de bundel:

Uit vermoeden ontstaan
uit nevel      uit het lispelen van
wind      uit ontkenning

ook de hoop loopt uit
op doorstrepen

naarmate
een gebergte ons
lokt, twijfel nog
hoger klimt, een uitzicht
ruimdenkend
zich inkeert, de adem
beneemt

naarmate
het rommelt in een diepte
die ons in een duizeling
stort

het niet bestaande
schudt ons door elkaar

In dit gedicht neemt hij veel terug: ‘uit ontkenning’, ‘ook de hoop loopt uit /tot doorstrepen’, ‘naarmate ( … ) een uitzicht  ( … ) zich inkeert, de adem / beneemt’, met aan het slot de constatering:  ‘het niet bestaande / schudt ons door elkaar’.

De Streycker gaat op Jooris’ poëtica uitgebreid in. Hij citeert een uitspraak van de dichter in een interview uit 2013 in de ‘Poëziekrant’: ‘Ik zeg altijd: mijn schrappen is soms ook een toevoeging.’ Aan het slot van zijn essay zegt De Streycker: ‘Sculpturen verbeeldt de zoektocht van de dichter naar de onvermoede mogelijkheden van de taal. Die wordt al te vaak slechts gebruikt om over de wereld te praten, een gebruiksfunctie die ze verliest in de gedichten van Jooris. Door de anekdotiek weg te houwen uit zijn poëzie, door de metaforiek heel vaak weg te polijsten en door het begrippenarsenaal dat grotendeels uit abstracte termen bestaat, wordt de taal ‘vrijgekapt’, dat wil zeggen: grotendeels – want volledig blijkt onmogelijk – losgemaakt van de referentialiteit. Dat maakt dat dit een poëzie is die niet langer de werkelijkheid afbeeldt, maar die zelf een wereld oproept. Niet de concrete realiteit, maar een werkelijkheid die vaak verborgen blijft onder de oppervlakte. De poëzie van Jooris gaat dus niet zozeer om zien dan wel over inzien. Niets geen neorealist die de werkelijkheid in taal tracht te vatten, maar een metafysisch dichter die met taal de onzichtbare wereld vatbaar maakt.’ (Die onzichtbare wereld verwijst overigens niet naar religie. In het gedicht ‘Later’ schrijft hij over het levenseinde: ‘een // bestaan dat verwaait in / zijn strooisel, een hiernamaals / van wind en van / as.’)

Ook in ‘Genese’ zie je dat streven naar volledige autonomie en de onbereikbaarheid daarvan: ‘ook de hoop loopt uit / op doorstrepen’ en ‘het niet bestaande / schudt ons door elkaar’.
Om de autonomie van een gedicht te benaderen, moet je taal opnieuw geboren laten worden, of, zoals hij in ‘Honger’ zegt, ‘houwen in / nog stenige / taal.’ Tegelijkertijd lijkt die taal in het gedicht onder hoge druk te staan en dat kan tegelijkertijd de autonomie hinderen. Het begin is moeilijk:

MOEDERTALIG

Dit opnieuw te spellen
uit te spreken, dit
uit krampachtigheid vandaan
naar vingers grijpen, taal-
springen, klankstoten,
letterlallen, dit likkende
liplezende, hortende

dit allereerste
onverstaanbaar hulpeloze, dit
stameldichtende dat opgekropt
stampt in het gedicht: een hunkering
naar de zeggingskracht van
goesting in gezoogde
taal

De titel Sculpturen verwijst enerzijds naar het vrijkappen van taal, zoals De Streycker dat noemt en anderzijds  naar Jooris’ nauwe banden met de beeldende kunst. Hij is daarin verwant met André du Bouchet, die in ‘Sur le pas’ poëzie integreert met schilderkunst. (Zie daarvoor deze pagina van de Koninklijke Bibliotheek) . Voor hem schreef Jooris het gedicht ‘In memoriam André du Bouchet’. Bijzondere banden had hij met Roger Raveel, die minstens driemaal voorkomt in de bundel: in de afdeling ‘Gedichten 1958 – 78’ staan er twee over de dood van vader en schildersmodel Raveel en ‘Tuin’ in de afdeling ‘Kromte’. In zijn figuratieve schilderijen is Raveel zowel de schilder van leegte als van de ‘halfland’lijkheid’, om een term van Vestdijk te gebruiken. Een voorbeeld: een schilderij van een achtertuin met wasdraad en betonnen muurtjes bevat een wit vierkant: een leegte of afwezigheid. Jooris doet dat op vergelijkbare wijze: ‘gekalkt // het ruwe wit / ondraaglijk / in de blinde zon’ (‘Landweg’).

Zelf zegt Jooris over de titel: ‘Ik ben een lezer-kijker. Ik bekijk het gedicht als een sculptuur’ en ‘ik [voel] mij wel in zekere zin een beeldhouwer van taal. Trouwens, ik zie ook hoe die gedichten als een talige sculptuur op het witte blad staan. Je ziet dat ook aan de smalte van die gedichten’. (Dit citaat geeft De Streycker in zijn essay. Het komt uit het bovengenoemde interview).
Kijken we naar de gedichten, dan zien we dezelfde thematiek als bij lezing ervan. De smalle gedichten zorgen voor veel wit: het nagestreefde niets. Dat niets is onbereikbaar: zonder letters geen gedicht.

Sculpturen is een veelzijdige, boeiende bundel. Ik beveel hem van harte aan.

***
Roland Jooris (1936) won in 1979 de Jan Campertprijs en kreeg in 2004 voor Gekras de driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap. Als het dichtklapt werd in 2005 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

 

Geplaatst in Recensies.