Lies Van Gasse – Zand op een Zeebed

Een Zucht strekt zich 

door Joop Leibbrand

‘Graphic Poetry’ staat er op voor- en achterkant van Zand op een Zeebed van Lies Van Gasse. Bijna ter waarschuwing, maar een overbodige, want je hoeft de bundel maar even open te slaan om te zien dat hier teken- en schilderkunst een symbiose aangaan met de tekst. Tekst die op enkele uitzonderingen na handgeschreven is. Het is een woest boek, waarin de hele bladspiegel gebruikt wordt voor een tekenstijl die ik niet anders kan omschrijven dan als overweldigend, al zou je dat zich snel en brutaal in grove lijnen en schetsen opdringen ook als een vorm van vrijmoedigheid kunnen zien. Lak aan conventies! Slechts een enkele keer zie je blijken van de fijnzinnigheid die Van Gasse zeker ook in zich heeft.
Om de beschrijving te completeren: zestig pagina’s stellen het zonder een letter tekst, veertien blijven blanco, drie zijn geheel zwart en 45 bladzijden hebben kleurgebruik, dus het zwart-wit overheerst sterk.

Het achterplat vermeldt: ‘Op een beeldend vertelde reis door de jungle van de grootstad zoekt een vrouw naar de essentie van het menselijk bestaan.’ Het suggereert dat we hier met één doorlopend, coherent verhaal te maken hebben, maar wie daarvan uitgaat, zal het even moeilijk vinden in dit boek zijn weg te vinden.
Zand op een Zeebed is vrijwel geheel opgebouwd uit eerder en afzonderlijk gepubliceerd werk: zes graphic poems (van één ervan stond de tekst al eerder in haar bundel Wenteling) en een drietal wat ik maar noem losse poëziebladen. Wat het overzicht voor de lezer lastig maakt, is dat fragmenten die voortborduren op die uit de zesde episode, ‘De Sirenen’, gebruikt worden als inleiding, entr’actes en afsluiting van de andere delen. Grilligheid ten top, in ieder opzicht. Als je echter het grondplan van de bundel eenmaal ziet, wordt duidelijk hoe alles zich van elkaar onderscheidt of op elkaar aansluit. En verder moet je niet proberen al te rationeel te lezen, maar je laten onderdompelen in beeld en taal van een eigenzinnige, bijzondere wereld met mythische trekjes.

De bundel gaat van start met een ‘Zucht’; een ademtocht dus, een inblazing, een schepping.
(Waar ik hieronder Van Gasse citeer, is dat met onzekerheid over eventuele strofe-indeling en zinslengte, hoofdletters en de keuze voor komma’s of punten, want het handschrift en trouwens de hele lay-out zijn niet altijd duidelijk.)

Een Zucht strekt zich
over deze ijle muur van klanken

en o, maar o, de late dag
breekt als een bel over huizen,

Wij vergeten dat het lijf waarin wij slapen
haast ontembaar is, nu elk nieuw uur verglijdt.

Het is een evocatie van bezieling die functioneert als het motto van de bundel. Vervolgens is er het eerste van de tien nauw aan ‘De Sirenen’ verbonden ‘Als’- gedichten:

Als alles kan, zien wij ons
als engelen uit de lucht vallen,
plat op onze buiken. De weg
uit onze hemel zal hard zijn,
lang en diep. Wij zullen in ons
een zee zien. Wij zullen
in ons hart de takken tellen
van een woud, verstrikt
in onze vleugels.

[…]

(Van Gasse liet zich voor de ‘De Sirenen’ inspireren door de gelijknamige groteske van Paul van Ostaijen over deze noodlottige verleidsters, een van zijn laatste verhalen. Zij speelt met allerlei motieven, zoals de grondeloze treurnis bij de sirenen zelf (‘hun zang is de vroege dood’), het verlangen naar ruimte, de bries die waait, de geur van zeewater, de invloed van havensteden, het tot ondergang komen bij ‘anemonen en wier’. Hoe meer je herkent, hoe boeiender Van Gasses intertekstuele spel wordt.)

Na dat eerste gedicht volgen er tien bladzijden tekeningen met als enige tekst de regels ‘spreidt // die zijn armen tot vleugels’. Als eerste graphic poem komt dan Orakel’ (geschreven en getekend voor de vijfde Nacht van de Poëzie in Gent). Het is wonderlijke poëzie, waar een vreemde fascinatie van uitgaat. Verspreid over zeven bladzijden staat er deze tekst:

U bent vergeten wat u hier kwam doen
maar zie uzelf in leeuwenhuid veranderen
en vlieg mij aan.

Ik ben een overstroming.
Mijn ogen zijn geen parels meer,
maar glas, van haat doorstoken.

We zijn allang vergeten waar de kamer is
en hoe de landen in u moeten schuiven als vlottend brood.
De appels zijn zo rijp dat ze uit mijn rokken vallen
en dat is mijn geluk.

Later zal ik zeggen dat er een vloed in mij optrad
waarbij ik armen en benen verloor…

Ik hield een engel in het nachtland
en kermde zacht naar buiten.
De eenden zongen, maar het ontbrak hen aan vastheid.

Een kring van manen scheen rondom u.
Ik overstroomde, was onstelpbaar.

Ik sloeg u los.
U werd bedolven onder golfslag.

Geniet van de taal, verbaas je over de beelden, vergeet close reading… In ieder geval word je de hele bundel door verwend met mooie regels. In ‘Droog woud’ bijvoorbeeld ‘Mensen zijn gemaakt van elkaar.’ en ‘We dragen woestijnen in de mond,/ kogels in de maag/ en ranken op de handen.’ Of ‘We zijn allemaal schimmen./ Eens geboren/ leggen we ons kind te water.’

Een van de best geslaagde graphic poems is ‘De tweede wolvin’, waarvoor Van Gasse zich liet inspireren door enkele scènes uit het Reynaertverhaal: de affaire die de vos had met Hersinde, de wolvin (‘Wie haar begeert, moet/ snorharen langs wangen strijken,/ schichtig, snel en onverwachts.’) en de wraak die hij via haar op Isengrim nam (‘Dan proeft hij nog haar afgereten vel.’)

Op de laatste bladzijden wordt het Sirenen-geschiedenis met enkele losse tekstballonnen afgerond:

[…]
en de sloepen varen uit
de wereld ligt open.

Denkend aan de dood kan ik niet sterven

Je bent veilig uit de zee gekomen.

Wij worden tot 1 lichaam verzameld

het is tijd!

De afsluiting van dit stukje ligt voor de hand: hoogste tijd om Lies van Gasse zelf te gaan lezen, want haar navertellen is zinloos.

***
Lies Van Gasse (Sint-Niklaas, 1983) studeerde Illustratieve Vormgeving in Antwerpen. Naast dichter is zij ook beeldend kunstenaar. Beide disciplines combineerde ze in de graphic poems Sylvia (2011) en Waterdicht (2011), het laatste in samenwerking met Peter Theunynck. Samen met Annemarie Estor werkte ze aan het project Hauser.
Haar eerdere bundels zijn: Hetzelfde gedicht steeds weer (2009), Brak De Waterdrager (2011) en Wenteling (2013).
In 2005 kreeg zij de Literaire prijs van Harelbeke voor dichters tot 25 jaar en in 2011 ontving zij de Prijs voor poëzie van de provincie Oost-Vlaanderen.

Geplaatst in Recensies.