John Schoorl – Hoor de zieltrein

Een naald die blijft hangen

door Maurice Levano

Hoor de zieltrein is gemaakt door twee fans van Search for the new land (1964), een album van Lee Morgan op het label Blue Note. Volkskrantjournalist John Schoorl en schilder Willem Snitker brachten een eerbetoon in verzen en zwart-witafbeeldingen. Opmerkelijk aan de titelloze gedichten (28 tekstblokjes van zes regels) is dat ze op de lezer overkomen als een jazzsolo.

De gedichten hangen aan elkaar van losse associaties, improvisaties bijna, gelardeerd met jazztermen en slang uit de beatperiode. Daardoor springt de liefde voor de jazz van het papier en krijgen de gedichten een aangename vaart en losheid. Maar er zit geen swing in. Het werkt doet verlangen naar Howl, van Ginsberg, een werk met meer oomph!

Hoor de zieltrein flirt met de levensstijl van jazzmusici: drugs, vrouwen en de afkeer van burgerdom. Als een Tyler Durden après la lettre, roept de dichter op tot het opblazen van de callcenters, om daarna een whiskey te drinken, met twee ijsklontjes. Dat de jazzwereld al eerder is beschreven door De Vijftigers, doet vrezen voor clichés. Dit zou men kunnen ondervangen door het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken te belichten, maar helaas bespeelt Schoorl slechts één register. Oordeel zelf over deze twee elkaar opeenvolgende gedichten.

Land je op nieuw land, stap in de limousine, loop onder de erehaag
der groten, zeg: wha, zeg: village, hier speelde je, een trap naar
beneden, vette vingers op het behang, jazz is art, zak door je knieën
voor een solo, op zoek naar nieuw land, gooit je grietje d’r kont erin,
boem, een rookpluim, een laatste blauwe noot, tering daar valt je
trompetnarcis uiteen, ouwe piraat, je wordt een reissue.

Kwaak je mee met roodbroeken, rijg dan zelf die parelketting, nooit
zeggen: het is maar dit en dat, nee doe je straatzang, voegen is
voor vogels, neem toch de brommernozem, kam een zachte pony, ahoe
ahoe, met lof toe, hoe sta je als je vooruitdenkt, rechtop toch, en niet
vleugellam, zie je die man die daar rechts op het podium staat, die is
erin getrapt, liet zijn stekker los, piewww-piewww.

Gedichten kunnen als muziek zijn. Dichtvormen als de ballade stammen van de muziekleer. De klank van de woorden en enjambement dragen bij aan een melodie. Een gedicht kan eindigen met een zin of beeld, dat vergelijkbaar is met een gesloten akkoord of wegstervende klanken. Miles Davis’ Kind of Blue is in die zin poëzie, dat het speelt met witregels en vooral iets zegt waar stilte valt. Bij sommige stukken van Mingus hoor ik in de frases een magistrale stralende zon. Werk van Ahmad Jahmal doet denken aan Van Ostaijen.

Snitkers linoleumsnedes zijn levendig. Aanvankelijk geldt dat ook voor Schoorls gedichten, maar ze slaan langzaam dood als een biertje dat te lang ongedronken blijft. Hij blijft praten, doorspekt met anglicismen, en dramt door zonder een punt te maken. Alsof de naald blijft hangen door een kras op de plaat.

***
John Schoorl (1961) is verslaggever en onderzoeksjournalist bij de Volkskrant. Hij publiceerde verschillende bundels met muziekverhalen, waaronder De naald erin (2003) en De dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging (2011). Van hem verschenen eerder de dichtbundels Capella(2007), Uitloopgroef (2009), Bukshag (2012) en Lust for Life (2013).
Kunstenaar Willem Snitker (1938) was tien jaar lang gastpresentator van het North Sea Jazz Festival en is eigenaar van Sleeker Galerie-Atelier in Heemstede. Hij werkte eerder samen met onder meer Lucebert, Bert Schierbeek, A.L. Snijders en P.F. Thomese. Werk van hem behoort tot de collectie van het Rijksmuseum.

Geplaatst in Recensies.