Gedichten

Bezoek

 Hij kent de weg, hij veegt zijn voeten
 niet, neemt zonder vragen als vanzelf
 sprekend de beste stoel, zet zich breeduit.

 Dan komen grijsverteld de verhalen
 waarin altijd hijzelf de hoofdrol speelt,
 vol avonturen uiteraard. Ja ja, knik ik.

 Soms valt hij stil, dan worden wit
 zijn knokkels op de leuning, hij hijgt,
 zijn ogen zoeken hulp, maar waar, bij wie.

 Ik adem opgelucht als hij weer gaat,
 breng, lichtelijk verstoord, de kamer
 weer op orde, zoals het hoort.

Bikken

 Hij stapelt zijn klinkers
 brengt hier en daar een diftong aan
 maar je bouwt geen huis
 van klinkende steen alleen.

 Dus vlecht hij medeklinkers
 erdoorheen, de glijders
 en spiranten. Op het dak
 vlijt hij liefdevol de labialen.

 Is het af dan loopt hij eromheen,
 fluitend, haalt zijn vrouw erbij.
 In het avonduur, moe voldaan,
 beloont hij zich met glazen wijn.

 Het ochtendlicht is hard en kil
 hij ziet met schrik een foute fricatief
 en ook een ablaut ligt verkeerd
 hij spreekt van sloop, denkt domme dingen.

 Later zie je hem toch weer
 op z’n knieën liggen, verbeten
 tikkend met hamer, kleine beitels.
 Zijn bikken klinkt weer als vanouds.

Watt

 Het denken kwam en zal ook ooit weer gaan:
 de kosmos is een tombola met prijzen
 waar niemand ook maar van heeft kunnen dromen.

 Ons brein een schakelkast waarin neuronen
 wonderlijke verbindingen leggen,
 sluiten ze kort dan word je gek.

 In het donker zijn we bang,
 daar vonden wij vrij snel iets op:
 we lieten een god het licht aandoen.

 Gedonder in de glazen, de één roept
 om minder watt, de ander om meer,
 wij slaan elkaar daarom de hersens in.

 Het denken kwam en zal ook ooit weer gaan,
 planeten zullen bloeien als een roos,
 van ons denkwerk zal geen heugenis meer zijn.

Geplaatst in Gedichten.