Bert Kooijman – Binnen bereik

Een daad van rechtvaardigheid

door Romain John van de Maele




Zoals in veel van zijn vroegere bundels beweegt Bert Kooijman (1932) zich in Binnen bereik tussen licht en schaduw, die geen symbolen zijn. Hun existentiële betekenis wordt bepaald door ruimte en tijd. Het licht is niet altijd een bevrijdende kracht en de schaduw heeft ook positieve eigenschappen. Licht en schaduw staan niet alleen centraal in de eerste cyclus, ‘Clair-obscur’, maar ook in de lange middencyclus ‘In memoriam’, waarin de dichter zijn vroeg overleden moeder, zijn vader, zijn broer en enkele vrienden herdenkt.

De bundel wordt ingeleid met een citaat uit het werk van Hugo Claus: ‘Wie het verleden wil lezen, hij schrijve het neer.’ Precies dat heeft Kooijman gedaan in deze elegische bundel, die me qua sfeer nu en dan aan de herinnerings- en afscheidsgedichten van Louis Paul Boon heeft doen denken. Ik volg al meer dan veertig jaar het werk van Kooijman, en wat mij het meest getroffen heeft bij het lezen van deze nieuwe bundel, is een daad van rechtvaardigheid. De dichter heeft vroeger vaak zijn moeder herdacht, en zij is ook nu weer aanwezig. Ze heeft zo vaak op een ontroerende manier aandacht gekregen, nu wordt ook de vader herdacht. De dichter heeft zijn beeld opgeroepen in acht gedichten. Beide ouders kregen precies evenveel aandacht, waardoor in deze nieuwe bundel een evenwicht wordt bereikt tussen vader en moeder. In het gepubliceerde werk – en dat is slechts een fractie van de berg gedichten die Bert Kooijman heeft geschreven – hinkt de vader nog altijd achterop. In de afsluitende reeks, ‘Binnen bereik’, is de dood eveneens opvallend aanwezig, en dat hoeft niet te verbazen, gelet op de leeftijd van de dichter. Maar wat is binnen bereik? Het laatste licht (leven) dat onverwacht door de dood kan worden gedoofd, of het leven dat voorlopig de dood nog verschalkt?  Het is een vraag die ik niet kan beantwoorden.

Ook nu weer valt de sobere, trefzekere verwoording op. In het eerste gedicht wordt de duisternis verdreven door het prille ochtendlicht dat alles en iedereen wekt. De dag wordt onmiddellijk vertaald in een gedicht: ‘In de wieg van de morgen / kraait het licht victorie. // Het is ademen geblazen / nu de dag de longen opent.  // Licht rust blad en bloem / met dorstige lippen uit. // Dan richt het zijn wijze blik / naar de tafel van de aarde. // En de dag krijgt een gezicht / met de kleur van een gedicht.’ (6) In het volgende gedicht doopt licht de wereld ‘met lichtzinnig water.’ (7) Het is herfst, de tijd van afscheid nemen, ‘heimwee […] schuift open’ en ‘geruisloos vallen kleuren / uit boom en struik.’ Zijn de kleuren te uitbundig, te lichtzinnig, nu de herfst ‘de naden van de tijd’ sluit? Of is het de herfstregen die de wereld herdoopt en het afscheid (lichtzinnig) verzacht of ondraaglijk maakt? Het gedicht roept vragen op, biedt geen eeuwige zekerheden. De ultieme zekerheid is immers dat er geen ultieme zekerheid bestaat. Hoe fel ook het licht mag zijn, de schaduw zal altijd van alles en nog wat aan het oog onttrekken. Het lichtzinnige water zal nooit alle geheimen schoon wassen. Wellicht wordt het daarom als lichtzinnig ervaren. De dichter kiest voor een actieve houding: ‘Pluk dan de bloem / van het vergeten / uit de schaduw / van de dood.’ (9) Afscheid nemen mag geen passief gebeuren zijn. Eros mag het verwelken niet mee in scène zetten.

De eerste cyclus bevat weinig bijvoeglijke naamwoorden en een gering aantal bijwoorden. Nu en dan valt assonantie op, en een zeldzame keer alliteratie. Voorts is er niets dat het naakte woord – de zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden – kleurt of benadrukt. De wind, de zwaluw, de bijenkorf, de bloem en het oog, het zijn heel gewone woorden die zonder franje een waarneembare of een verhulde werkelijkheid weergeven.

In het eerste moedergedicht zet de dichter het gesprek voort dat de bundel Grafgift (1999) tot een eerste hoogtepunt in zijn oeuvre heeft gemaakt. Ik citeer het gedicht (14) in extenso en laat u zelf de vormaspecten ontdekken:

Er is zoveel zwijgen van jou
in mijn taal dat ik nu
leesbaar wil maken
voor wie jou lezen wil.

Licht noem ik wel
vlinder in de nacht maar
jouw donker verduistert
wat ik rouwend fluister.

Nu licht mij eindelijk bij
wil staan, breek ik het woord
van je dood maar vind overal
zwijgen waar ik luister.

Het denken aan moeder doet de dichter naar zijn taal tasten ‘die opnieuw open bloeit.’ (15) Maar is het zijn taal? Het lyrisch subject vraagt zich af: ‘Zijn het je woorden / slapend in mijn hart / die ik nu wakker schrijf?’ (16) De vraag wordt beantwoord in een ander gedicht: ‘Geen haar op mijn hoofd / dat jou kent maar je bloed / stroomt door mijn taal.’ (18) Het is het bloed van de moeder die de taal van de dichter in leven houdt – het is dus ook haar taal. De zoon dept zijn pen in de taal van zijn moeder, die na al die jaren alleen nog essentie is, en wanneer hij een beeld van haar oproept, is dat ‘een beeld / van woorden’ (17) dat zijn kinderleed verzacht. De essentie ondergaat een metamorfose en wordt gebruikt om een existentiële dimensie te verwoorden. De dichter vraagt zich af: ‘Of moet ik mij verbergen / voor je licht dat mij / zichtbaar wil maken?’ (17) Herdenken is een gebeuren met een open einde, en wie herdenkt heeft nu en dan de behoefte om de schaduw op te zoeken. Steeds weer wordt het lyrisch subject heen en weer geslingerd tussen sic en non – Bert Kooijman is immers een uitgesproken antithetische dichter. Hij weet zelf: ‘het zijn de jaren / die ons scheiden, maar afstand / houdt ons samen gaaf.’ (19) Die paradoxale waarheid heb ik vroeger al opgevangen, en steeds weer bevestigen de vondsten van de archeologen die uitspraak.

Nadat de dichter opnieuw veel aandacht heeft geschonken aan zijn vroeg overleden moeder erkent hij berouwvol dat hij jarenlang een ‘gesprek’ met zijn vader heeft uitgesteld. Het is opnieuw een gedicht vol tegenstellingen. De eerste strofe luidt als volgt: ‘Hier herdenk ik hem / die mij uit zijn armen  / weerde, alsof hij zich aan mij / zou branden, wanneer schaamte / hem naar erbarmen dreef.’ (23) Was de afstandelijkheid zo groot, of werd ze alleen maar zo beleefd? Welke vader weert immers bewust zijn kind uit zijn armen? Het is een bijna ondraaglijke gedachte dat een kind tot die bevinding kon komen. En toch: ‘Hij is het van wie ik / mij tracht te bevrijden / maar die ik nooit meer / uit mijn hart nog / wil verdrijven.’ In het eerste vadergedicht had de dichter al erkend: ‘Geen balk was hem te zwaar / geen arbeid bezorgde hem / knikkende knieën’ (22) Maar die korte laudatio wordt afgerond met ‘levenslang / legde hij jou zijn wil op / met woorden binnen bereik.’ Herinneringen zijn ambivalent, zeker wanneer zij een dichter overvallen. Het lyrisch subject herinnert zich de terugkeer van vader uit gevangenschap, en wijst erop dat hij toen trots en ontroerd was. Maar enkele gedichten verder vervolledigt hij het beeld: ‘Tegen de haat van het dorp / in bleef hij onverstoorbaar / zijn werk doen met de pijp / onafscheidelijk in de mond / en ’s zondags een sigaar / als geurende beloning. // Heb jij je toen voor hem / geschaamd of liever / heimelijk bewonderd om / zijn koppige kracht?’ (28) De vraag wordt niet eenduidig beantwoord, en dat kan ook niet, want schaamte en bewondering gaan hand in hand. De dichter beseft dat hij vaders ‘karakter met stekelige / kanten in [zich] draagt’ (25), en toch heeft die wat afstandelijke, wellicht gekwelde man zijn zoon na een val ‘haast moederlijk / in zijn bed [gelegd]’ (24) De dichter is intussen vader en grootvader geworden, en hij vraagt zich af waarom hij zijn vader niet eerder toegelaten heeft ‘tot de warmte / van [zijn] kinderhart.’ (24) In de volgende cyclus denkt hij aan zijn broer, en hij wijst erop dat de leegte die hij achterliet ‘een wond [is] die bloeden blijft.’ (30) Het zwijgen van die broer weegt zwaar: ‘Nu [hij] alleen nog in as / bestaat, laat je mij / in rouwende stilte achter. // Kan ik je dood bedwingen / binnen dit ene gedicht?’ // Kan ik het bevrijden / tot het beeld zich opent / en beelden toont / van je zwijgen?’(32) De gedichten voor en over Marcel Wauters, Michel Bartosik, Albert Bontridder en Paul de Wispelaere zijn wat te anekdotisch om het niveau te halen van de andere herinneringsgedichten. Het best geslaagd is het gedicht voor Marcel Wauters, een dichter zonder kapsones.

De laatste cyclus heeft de titel van de bundel bepaald. Het begrip ‘binnen bereik’ wordt ingevuld met de gedichten ‘Doden’en ‘Minnaars’, de kleine reeks ‘Schaduwman’ en het tweeledige ‘Het joodse bruidje’. De volgorde van de gedichten is tegengesteld aan die van de levenscyclus: geboorte, groei, bloei, verval en dood. De dichter begint met de dood en eindigt met het bruidje dat weldra nieuw leven kan schenken. In het eerste gedicht gaat het lyrisch subject op stap met de dood, op weg naar het einde, maar de dichter is een tuinman die voorlopig nog naar het ‘zingen’ van de bijen kan luisteren en enigszins verdoofd zijn ervaring kan verwoorden. De weg naar het einde gaat men meestal alleen, en dan is er geen ontsnappen aan de ‘wurggreep’. (44) ‘Minnaars’ verwoordt zoals ‘Les vieux’ van Jacques Brel de ongemakkelijke stilte. Brel schreef: ‘Les vieux ne parlent plus, / ou alors seulement  / parfois du bout des yeux, /même riches ils sont pauvres, / ils n’ont plus d’illusions / et n’ont qu’un coeur pour deux.’ In het gedicht van Bert Kooijman lees ik ‘Hun woorden zijn moeizaam  / onderweg naar een gesprek. // Zij tasten nauwelijks meer  / naar wat verborgen bleef. // Maar nog openen zij hun hart / nu licht hen troostend nabij staat.’ (45) Zelfs de minnaars bewegen zich traag voort op de weg naar het einde, en de schaduwman ‘tekent de winter / van zijn geest.’ (47) In het derde gedicht van de kleine cyclus ‘Schaduwman’ neemt het lyrisch subject de sluier weg die hem scheidt van de levende dichter: de taal. Maar die taal verbindt ook het ego (de dichter) met zijn alter ego (het lyrisch subject). ‘Het joodse bruidje’ herinnert aan de tijd dat de razernij het leven verscheurde, maar zoveel jaren later vervult de glimlach van het bruidje de dichter, en vrede omhelst zijn hart. (51)

De bundel Binnen bereik is een daad van rechtvaardigheid, een uitgestoken hand. Het is een sobere bundel, vol gedichten die als het ware gesneden zijn in jade om de emotie te vrijwaren. Alleen de gedichten voor en over de overleden vrienden vallen wat pover uit in vergelijking met de andere herinneringsgedichten.

____

Bert Kooijman (2018). Binnen bereik. Kleinood en Grootzeer, 56 blz. €16,-. ISBN 9789076644882

Geplaatst in Recensies.