Gerhard te Winkel, Fred Penninga (red.) – Parade der Poëten

‘Land leeft langer dan wij mensen’

door Eric van Loo


2018 was het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed met als thema ‘Erfgoed verbindt’. De Europese Commissie wilde op die manier aandacht geven aan het belang én het behoud van ons cultureel erfgoed. Gerhard te Winkel, stadsdichter van de gemeente Leusden, kwam op het idee om via poëzie het cultureel erfgoed in de provincie Utrecht in het zonnetje te zetten. Samen met de toenmalige Utrechtse gildemeester Alexis de Roode nam hij het initiatief voor het project Parade der Poëten.

In 2017 en 2018 zijn daartoe dichtwedstrijden georganiseerd in drie gemeentes (Amersfoort, Leusden en Veenendaal) en drie regio’s (Eemland, Kromme Rijnstreek/Utrechtse Heuvelrug en Stichtse Vecht). In 2017 werd Fred Penninga bij de organisatie betrokken, in 2018 werd de organisatie van de wedstrijden mede gedragen door André van Zwieten en Gerard Beentjes. In totaal kregen zes jury’s een kleine driehonderd gedichten toegestuurd. De genomineerde en de winnende gedichten zijn in de bundel Parade der Poëten opgenomen. De meeste inzendingen waren natuurlijk afkomstig van inwoners van de provincie Utrecht, maar er kwamen ook inzendingen uit andere delen van het land, en zelfs uit Vlaanderen. Ten slotte werden ook vijftien Utrechtse dichters uitgenodigd een gedicht over een erfgoedobject naar keuze te schrijven. Opmerkelijke afwezige in de georganiseerde dichtwedstrijden is de stad Utrecht. Misschien omdat het erfgoed in deze stad al veelvuldig bezongen is. Denk alleen maar aan de bundels Utrecht voor beginners en Utrecht voor gevorderden van Ingmar Heytze. Ook wordt de leemte enigszins goedgemaakt door de gastdichters, die de Dom, DOMunder, het nachtelijke Utrecht en bastion/sterrenwacht Sonnenborgh bezingen.

Het organiseren van een aantal dichtwedstrijden was een voor de hand liggende werkwijze om een groot aantal gedichten over cultureel erfgoed te verkrijgen. Het mooie is, dat het mes daarbij aan twee kanten snijdt. Enerzijds is een bundel gecomponeerd, waarin zeer uiteenlopende elementen van het cultureel erfgoed in de provincie Utrecht terug te vinden zijn. Anderzijds moesten de dichters eerst hun schrijftafel verlaten om deze elementen te zoeken en zich erin te verdiepen. Dat leverde natuurlijk heel wat odes en beschrijvingen op, met alle valkuilen vandien. Maar dichters zijn gelukkig creatief, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het gedicht waarmee Jolies Heij winnaar werd in de regio Kromme Rijnstreek/Utrechtse Heuvelrug:

Inventaris Huis Doorn

Het carnaval is voorbij, mijn piekhelm heb
ik afgezet. Mijn keizerrijk voor een kamer
met uitzicht. Ik bezit alleen nog dit vege
lijf en vijf koetsen vol prullaria. Nou goed,

plus mijn meisjes Augusta en Hermine aan mijn
onttroonde zij. Een ander noemt het vrij
maar dit kasteel is een stenen kooi met
boomstamdikke spijlen voor de ramen. Ik

Wilhelm Zwei slaap in een duiventil op een bed
van walvisribben met een waterige herinnering
aan het Pruisisch blauw. Ik kan niet ademen hier.

Elke dag ga ik naar buiten, pak mijn bijl, hak
mijn keizerrijk tot spaanders en maak met het
hout de haard van mijn verloren dromen aan.

De lezers die minder bekend zijn met deze twintigste-eeuwse asielzoeker die vorstelijk gehuisvest werd in Huis Doorn kunnen hier hun kennis bijspijkeren.

De prijswinnende gedichten in de bundel vallen op vanwege hun poëtische kracht en vanwege de kostbaarheid of originaliteit van het bezongen erfgoed. De ontroerende kleinheid van de ‘Kapel van Coelhorst’ (Jaap Lemereis). De aangrijpende werkelijkheid van het ‘Durchgangslager Amersfoort’ (Paul Vincent). Het mysterieuze verhaal van de ‘Onderwatervloot’ (Suzanne van Leendert), het botterkerkhof voor de kust van Spakenburg. De tijdloze stenen in ‘Over begraafplaats Oud-Zuilen’ (Suzanne van Leendert). Of het ‘Vrijheidsbeeld Eemnes’ van de jonge Andrea Bijlard. In de regio Eemland wist Gerard Beentjes als enige ook basisscholieren aan het dichten te krijgen.

Er waren twee winnende gedichten waarbij de bovengenoemde kenmerken minder duidelijk aanwezig waren. ‘Veensch verleden’ van Ans Strik belicht vooral een voorbije tijd, met veel couleur locale: ‘Bij opoe heb ik als kind veel gespeeld. / Dat is zo blijven hangen dat beeld. / Dat mijn dromen mij soms wat teruggeven / en ik die tijd opnieuw kan beleven. / (…) / Achterkerk, de Breeje gang, Pollstraat, tja die Griebus. / Het zijn heel mooie, wat prachtige namen, voor mij dus. // Al spreek ik nu niet meer die Veense taal / toch ben ik trots op dit klein stukje Veenendaal / en nu na zovele jaren, toch verlangen naar toen, / een verdwenen verleden, zou het zo weer overdoen.’ Kinderlijk eenvoudige taal, met aandoenlijk Sinterklaasrijm. Misschien ontroerde dat de jury. Opmerkelijk is ook, dat in zes van de tien genomineerde gedichten uit de gemeente Veenendaal één of meerdere straatnamen genoemd worden. Jaap van ’t Riet schrijft hierover letterlijk: ‘Toch bleef het allermooiste steeds behouden: / het stratenpatroon van Veenendaal’.

Bij het prijswinnende gedicht in de gemeente Leusden ontgaat het cultureel erfgoed me ten enenmale. ‘Verschuivingen voor een raam’ van Hannie Rouweler opent als volgt: ‘Sinds de eerste dag ben ik bezig geweest / met alles van zijn plaats te halen / de boeken van de ene naar de andere kamer / wat onderop lag ligt nu ineens bovenop.’ Een beeld van een grote opruiming, een verhuizing misschien. De slotstrofe: De bloemen zijn vervangen door winterplanten / op het terras waar heideplanten op de houten tafel / en op de grond een paarse kleur verspreiden / stille liefde als een egel onder struiken verstopt / die een winterslaap houdt tot aan het warme licht.’ Behalve dat de gemeente Leusden uitgestrekte heidevelden kent, kan ik hier weinig erfgoed in ontdekken, laat staan cultureel erfgoed. Maar misschien ken ik Leusden te slecht om dit gedicht op waarde te kunnen schatten.

Zoals eerder aangegeven, schuilt er het gevaar van een cliché in het gelegenheidsgedicht. Men beschrijft een mooi object, een mooie plek, mijmert wat over heden en verleden en klaar is de zondagsdichter. Relatief weinig dichters uit deze bundel zijn in deze valkuil getrapt. Bij ‘Landgoed Sandwijck’ van gastdichter Diet Groothuis hield ik even mijn hart vast: ‘Een minivlek op wereldschaal. Een universum.’ Maar net wanneer we het romantisch historische beeld van dit landgoed zat beginnen te worden volgt een geweldige uitsmijter:

Gevaar dreigt. Altijd. Woonwijk, honden. Duurzaamheid,
ecologisch leven, toverwoorden van de tijd.
Daarna? Wolven, pretpark, opvanghuis voor Marsterugkeerders?

Het land buigt, schikt zich, wacht op wat er wordt bedacht.
Kom hier maar heen, laat je dragen zonder praten, luister,
fluister. Bouw een nest onder de grote rode beuk, wieg jezelf.
Land leeft langer dan wij mensen.

Bijzonder is ook de ode aan een niet meer bestaand object, de ‘Ocrietfabriek in de bocht van de Eem’, afgebrand en gesloopt: ‘Alleen foto’s verbeelden de verleden tijd.’ (Gerard Beentjes). En de brief aan Willem Adriaan van Nassau, Heer van Odijk en Kortgene, over hoe hij het in hemelsnaam voor elkaar kreeg zijn Slot in Zeist te bouwen (Henjo Hekman). En net zoals de Negende Symfonie van Ludwig van Beethoven in 2003 op de werelderfgoedlijst van de UNESCO is gezet, kan cultureel erfgoed in de provincie Utrecht ook onstoffelijk zijn. Zo bezong Jos Schellart de jaarlijkse visserijdag in Spakenburg: ‘nog één keer / sprekend het vertrouwde dialect / zingend samen in het visserskoor // nog één keer / vieren we het feest van ‘ons kent ons’ / nu, het volgend, elk jaar nog een keer.’

De vormgeving van de bundel door André van Zwieten, tevens stadsdichter van Wijk bij Duurstede, is bijzonder geslaagd te noemen. Aan de binnenzijde van de voor- en achterflap is de topografische kaart van Utrecht opgenomen, met nummers die verwijzen naar de opgenomen gedichten. De geïnteresseerde lezer kan hier een paar mooie fietstochtjes aan wijden. Maar ook de lezer die thuis op de bank blijft, krijgt een onverwacht rijk en gevarieerd beeld van het cultureel erfgoed in de provincie Utrecht voorgeschoteld.

____

Gerhard te Winkel, Fred Penninga (red.) (2018). Parade der Poëten. Uitgeverij Magonia, 96 blz. € 14,95. ISBN 978-94-92241-27-6

Eric van Loo was één van de gastdichters uit de provincie Utrecht

Geplaatst in Recensies.