POËZIE KORT 2019 / 5

Nikolaas Demoen, namaak

(door Kamiel Choi)

De tweede poëziebundel van de Vlaamse beeldend kunstenaar Nikolaas Demoen, namaak, bevat 54 gedichten en 14 houtsnedes van een man met een vogelmasker. De bundel is gezet in een vet lettertype zonder serieven en met ruime regelafstand. De gedichten doen me mede daarom denken aan bijschriften bij kunstwerken in een museum: ze beschrijven uitbundige en letterlijk kleurrijke taferelen. Het zijn miniaturen waarin de gebeurtenissen elkaar als penseelstreken doorkruisen.

Wat onmiddellijk opvalt: de paginanummering is niet chronologisch maar bestaat uit willekeurige getallen tussen 148 en 221. Dit is een fascinerende vernieuwing die suggereert dat de volgorde van de gebeurtenissen in de bundel niet relevant zijn: in het atelier is het altijd nu. Ik vat deze getallen op als ‘titels’ van de overigens titelloze gedichten.

We zien Demoen bezig als schilder die soelaas zoekt in vormen en kleuren, maar daar vaak niet in slaagt. Dit zou de aanleiding voor Demoen kunnen zijn om een uitvlucht naar, of toevlucht tot, de woorden te maken.

Terugkerende motieven zijn de vaderfiguur, het lichamelijke, de liefde, (verf)kleuren en het werken in een atelier. De titel van deze bundel, namaak, komt een keer terug: “door ovalen schoenen te dragen zijn de / wandelingen geregeld ongedefinieerde namaak”. Aan de afdruk van een ovalen schoen zie je niet wat de voor- en achterkant is, dus de volgorde van de stappen wordt willekeurig, net als de volgorde van de gedichten in deze bundel.

Een concrete indruk van Demoens werkwijze krijgen we in gedicht 204:

het luchtruim is klein in vergelijking met de kamer
daarin loopt de kunstenaar door de geluidsmuur
hij ontdoet zich langzaam van zijn
hoofdbestanddeel
plots is daar kazimir malevitsj
met het zwarte vierkant onder de arm
de kamer is abstract tijdens een conversatie
tussen twee constructivisten
kazimir bespeelt graag de balalaika
gaat te paard zijn russische weg
er is nog enkel schilderen op
deze atonale schuiftrompetplaneet

Demoen maakt vaak gebruik van vrije associaties. Soms levert dat interessante beelden op, zoals ‘het tafelkleed kan geruit verlangen / in de wippende binnenlucht.’
Of: ‘bloedkleurige ecoline druppelt van de trap / zilvermaskers dragen ze in de hand / maar waar is de vaderfiguur in zijn pardessus’.

Er staan ook enkele regels die gedenkwaardig zijn door hun klank en ritme alleen, zoals ‘in de via appia rijdt een fiat naar de apennijnen’.

De dichter werkt soms met herhaling, zoals in een gedicht over een parelsnoer: ‘wanneer zag je voor het laatst / parels van een snoer aan iemands hals glijden / … / wanneer zag je voor het laatst een snoer / waarvan de parels … / wanneer zag je voor het laatst iemand / de parels rapen’.

In deze gedichten emancipeert zich een poëtica en wordt poëzie meer dan louter beschrijving van het creatieve proces van een beeldend kunstenaar. De woorden krijgen een eigen gewicht en worden meer dan het bijschrift van een ingebeeld doek. ‘Het woord staat gesokkeld’, zoals de bundel zelf zegt.

Daar had ik in deze bundel meer van willen zien. De beeldenvloed in deze bundel, hoewel soms vernieuwend en indrukwekkend, is als poëtisch idioom voor mij niet scherp genoeg om de lezer te vervoeren. Namaak biedt een interessante inkijk in de poëtische dimensie van het kunstenaarschap, maar wist mij als bundel niet echt te overtuigen.

____
Nikolaas Demoen, Namaak, Poëziecentrum (2018). 72 blz. € 22,00. ISBN 978905655179

 

 

Elisabeth Leenschat van Bodegraven, Boven dit alles. Een curiosum

(door Levity Peters)

Tegelijk met het debuut van Theodoor Brumming, De man waarmee iets was, verscheen bij uitgeefhuis De Manke God ook het debuut van Elisabeth Leenschat van Bodegraven, ons eveneens bekend uit De Dagen van Van Putten van Kees Engelhart. De titel Boven dit alles verwijst naar het bovenzinnelijke, naar datgene wat de oorsprong en betekenis van ‘dit alles’ zou kunnen zijn. In dit debuut beschrijft zij met precisie weinig opzienbarende gebeurtenissen uit het leven van Elisabeth ter Waert, een gevierde dichteres van religieuze poëzie, die een bewonderaar is van de hoofdzakelijk bij lezers met een christelijke signatuur bekende poëzie van Nel Benschop.

(..)

Niettegenstaande angsten of een te zwaar leven
Zijn wij desondanks bevreesd voor de laatste dag

(p. 23)

En wij dragen er nauwlettend zorg voor dat het verlangen
Naar die dag tot een voor mensen te dragen absoluut minimum
Wordt teruggebracht

Nadat zij even heeft nagedacht
Schrijft zij er boven

IN HET ROTSVASTE VERTROUWEN GODS

Dan legt zij haar zilveren vulpen neer op het vloeiblad

Elisabeth ter Waert is bang te gaan slapen en
In gepeins verzonken loopt zij naar het raam
Het is stil op de gracht

Opnieuw schenkt zij zich een whisky in twaalf jaren
Gerijpt en slaat het schrijfblok dicht

(blz. 23 en 24, HALF DRIE EEN MAANDAGNACHT)

De menselijke komedie in een notendop. In simpele zinnetjes staat de futiliteit van het menselijk willen en kunnen tegenover de onvatbaarheid van een onontkoombaar lot, met religie als schrale troost en denkbeeldig houvast, maar wel daar boven geplaatst.

Elisabeth ter Waert worstelt met haar dichterschap, en met het geloof dat daar zo mee verweven is. Zij betreurt het gebrek aan informatie dat de Bijbel bevat omtrent het intieme leven van Jezus, met name in zijn omgang met vrouwen. Zij tracht tussen de regels door te lezen om zijn beschreven aardse met haar religieuze leven in harmonie te brengen, vindt troost in klassieke en rockmuziek, en in de drank (van Calvados en Bourgogne tot Metaxa). Zij droomt van een Nieuwe Dichtkunst waarin haar relatie tot God niet alleen vorm krijgt via Bijbelteksten, maar in de alledaagse taal van haar nietige en nogal eenzame leven.

Dit alles wordt door Elisabeth Leenschat van Bodegraven liefdevol beschreven, en dat is het mooie: hoewel de toon van de gedichten serieus is, heb ik nooit eerder ervaren dat ernst en humor zo met elkaar verweven zijn. Er is geen spoor van leedvermaak, integendeel. De hele bundel ademt een betrokkenheid bij de hoofdpersoon in haar queeste naar de waarheid om van daaruit oprechte poëzie te kunnen schrijven.

Het is geen toeval dat de door Leenschat van Bodegraven beschreven dichteres evenals zij Elisabeth heet. De door haar beschreven ontwikkeling van haar hoofdpersoon maakt de bedoeling van haar eigen poëzie zichtbaar, en tegelijkertijd het onmogelijke van de opgave die zij zichzelf heeft gesteld. Bijbelse informatie over het intieme leven van Jezus zou haar geen stap verder helpen. Elisabeth zal het moeten doen met de mythische werkelijkheid van een verlosser waarin alleen het geloof de mens een leidraad door het bestaan kan geven; en met de beperkingen van haar eigen materiele bestaan, haar eigen onwetendheid. Dit is werkelijk religieuze poëzie, zonder dat er gepreekt wordt, maar vanuit mededogen. Een buitengewone prestatie. Van Kees Engelhart.

____
Elisabeth Leenschat van Bodegraven (z.j.). Boven dit alles. Een curiosum. Uitgeverij De Manke God, 77 blz. € 10,00. ISBN 9789082585568. Te bestellen bij Uitgeverij De Manke God, k.engelhart@outlook.com

 

 

Jozef Deleu (red.), Het Liegend konijn 2019/1

(door Hans Puper)

Belangeloosheid en rendement verdragen elkaar slecht. De inleiding van Het Liegend Konijn 2019/1 heeft als titel ‘Het nut van het nutteloze’ en Jozef Deleu verwijst daarmee naar een tekst van de Italiaanse filosoof Nuccio Ordine die het rendementsdenken kritiseert. De goeroes ridiculiseren het belangeloze in creativiteit, diepgang, schoonheidsbeleving en reflectie op het bestaan. Dat levert immers niets op? In hun wereld niet nee, maar wat een kaalslag.

Deleu heeft dit keer ‘189 nieuwe gedichten uit het nest geroofd’ van een zeer gevarieerd gezelschap: van onder de dertig tot boven de zeventig, mannen en vrouwen, gevestigd en beginnend, van traditioneel tot experimenteel. Veel gedichten zijn geëngageerd en dat is natuurlijk niet verwonderlijk in deze tijd van oorlog, terrorisme, vluchtelingenstromen, klimaatverandering en, daar zijn we weer: rendementsdenken. Dominique de Groen schreef een boeiende reeks, ook door de vorm en intrigerende beelden: ‘Dromen van het offerlam’. In Droom #4 droomt het dier zichzelf in de vorm van een lijst karakteriseringen met een lengte van meer dan twee bladzijden die doen denken aan die van Maarten van der Graaff in Dood werk en Obe Alkema in Obelisque, zonder aan eigenheid te verliezen. Het begin: ‘Het offerlam is een flexwerker / Het offerlam is op weg naar het klimaat / Het offerlam is stikkend korstmos en zuurstofloze stad (…)’

Tot mijn plezier is Esther Jansma ook weer terug: haar laatste bundel, Voor altijd ergens, verscheen in 2015 en was een eigen keuze uit haar gedichten. Indrukwekkend is haar voelbare haat in ‘Hier en daar’, waarin zij (vrijwel zeker) IS-ers opvoert die hun moordpartijen als een baantje beschouwen. De eerste strofe:

Ik vertrek uit ruïnes, met bloedende voeten zoek ik
een weg door het puin. Het is even wat stiller, stof
daalt neer, de scherpschutters zijn aan het bidden,
daarna eten ze een broodje en duwen grappen en
grollen brakend een tiener op haar knieën – de boog
kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze

In de twee strofen daarna voert ze een jihadganger op, die een zeer luxueuze villa wil inrichten die hij mag gaan bewonen: ‘kut mijn kristallen luchter is te klein en mijn tafel / vette schijt komt uit de verkeerde tijd gezien / de allure van dit bezit en de reus die ik moet zijn.’ Het spijt hem dat hij niet eerder anders is gaan leven, dan was hij voorbereid. Een voormalige kleine crimineel die carrière wil maken.

De gedichten van Anton Korteweg hebben een heel ander karakter. Hem moet je niet in de trein tegenkomen, want je blijft niet ongezien. Uit ‘De sliert der geslagenen’: ‘In Weidevenne (hoort bij Purmerend) / stapte een jeugdige reus / met een hoofd als een liggend ei / in oranje shirt de trein in; / geen interland te bekennen’. Hij heeft een ‘messcherpe hazewind’ bij zich en de ‘ik’ wenst hem een vrouw toe, maar geen huishouden, want ‘daar gaat je gezicht maar naar staan.’)

Dit is lang niet alles. Je kunt je ook vragen stellen over groepen dichters: zie je bijvoorbeeld overeenkomsten tussen de dichters onder de dertig? Het zijn er acht. Er is genoeg te lezen tot het volgende Konijn.
____
Het Liegend Konijn 2019/1. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie (2019). Onder redactie van Jozef DeleuPolis, 245 blz. € 20,00. ISBN 9789463104142

 

 

Paul Valéry, Tien charmes. Vertaald door Paul Claes

(door Hans Puper)

Paul Valéry (1871 – 1945) heeft veel geschreven, maar dankt zijn roem aan een bundel met slechts tweeëntwintig gedichten: Charmes, dat volgens vertaler Paul Claes zowel ‘bekoorlijkheid’ als ‘betovering’ betekent. Hij vertaalde er tien.
Tien charmes is verzorgd door vormgever en uitgever Marc Vleugels en is opvallend mooi.

Claes schreef een korte, maar zeer informatieve inleiding. Hij heeft maar een paar zinnen nodig om Valéry’s poëzie te karakteriseren: “Valéry is een meester van ‘poésie pure’: een zuivere poëzie waarin woorden zich naar het woord van Nijhoff loszingen van hun betekenis. Tegelijk zijn veel van zijn gedichten poëticaal: zij evoceren het ontstaan, het wezen en de werking van de poëzie zelf. (…) Voor Valéry maakt de vorm de inhoud. De klassieke versificatie die bij andere dichters vaak een dwangbuis wordt, was in zijn geval een springplank. Met voorliefde citeerde hij het bon mot van zijn meester Mallarmé: ‘Verzen maak je niet met gedachten, maar met woorden.’”

Prachtig is ‘Le Sylphe / De Sylfe’. Volgens Claes verbeeldt Valéry in dit gedicht ‘een etherisch gebeuren: de dichterlijke inval wordt de vlucht van een oplossende sylfe of luchtgeest.’ De regellengte past hier vanzelfsprekend bij.

LE SYLPHE

Ni vu ni connu
Je suis le parfum
Vivant et défunt
Dans le vent venu!

Ni vu ni connu
Hasard ou génie?
À peine venu
La tâche est finie!

Ni lu ni compris?
Aux meilleurs esprits
Que d’erreurs promises!

Ni vu ni connu
Le temps d’un sein nu
Entre deux chemises!

DE SYLFE

Niemand die mij vindt
Als een geur ontstaan
En gezwind vergaan
Samen met de wind.

Niemand die mij vindt:
Toeval of getover?
Zo gauw het begint
Is het werk al over.

Niemand die mij leest?
Zelfs de grootste geest
Weet mij niet te raden.

Niemand die mij vindt
Als een borst die glimt
Tussen twee gewaden.

Poésie pure. Kijk alleen al naar die eerste strofe: de reeks ‘ni vu – connu – vivant – venu’, de i- en v-klanken, het eindrijm, het ritme, en dat is niet alles. Zie dat maar eens te vertalen. Het kwam neer op herscheppen met het behoud van de poëtische middelen die Valéry gebruikte. Het is geen wonder dat Claes de bundel pas na vijftig jaar uit handen gaf. Klaar was hij niet: ‘Voor Valéry was een gedicht nooit af. Dat geldt wellicht nog meer voor een omzetting in verzen.’ Ik heb grote bewondering voor de tussenstand.

____
Paul Valéry (2018). Tien charmes. Tweetalige editie, vertaling Paul Claes. Franse reeks. Uitgeverij Vleugels, 2e druk, 36 blz. € 21,00. ISBN 9789078627234

Geplaatst in Recensies.