De favorieten van Eric van Loo

 

In deze nieuwe serie Favorieten van Meandermedewerkers de drie lievelingsgedichten van Eric van Loo.

 

Wat was

Toen er niets meer dan afbraak overbleef
deed hij de glazen deuren langzaam open
en trad naar buiten en dacht: ik weerstreef
niet meer en zie van hopen en wanhopen
af nu het graf mij wacht. Ik heb geleefd,
gedronken en gegeten wat ik wilde
en alles wat ik in de avond schreef
blijft naast mij. Toen hij eindelijk verkilde
en zich neerlegde op het doodstil terras
vlogen er meeuwen over zonder kreten.
Zij vlogen over naar wat eenmaal was,
naar lief en leed en naar voorgoed vergeten.

Adriaan Roland Holst uit: Voorlopig (Van Oorschot, 1976)

 

 

Portret – I

Hoe langer het duurt, hoe langer
je liefhebt, maar wat heb je
lief, het verandert
steeds meer in steeds meer
zichzelf, zozeer in zichzelf
dat het sterft.

Zo alleen zul je worden met liefde
als met een landschap
dat langzaam verwintert,
steeds meer in steeds meer
die ene ets.

In je gezicht nog het gezicht
dat voelt hoe warm adem is
voor het afkoelt tot mist.

In je hand nog de hand die vertelt
dat je er bent, tot hij zich
terugtrekt in je hand.

Rutger Kopland, uit: Dankzij de dingen (Van Oorschot, 1989)

 

 

Voorgoed

Dit is de herfst, dit zijn de mooiste maanden,
maar ze ontgaan ons zoals ieder jaar,
want wij zijn blinden in een wereld waar
het blijvende niet geldt, alleen het gaande.

Wij tastten in het duister naar elkaar,
een oogwenk dat wij ons onsterflijk waanden,
en zijn niet dan elkanders nabestaanden;
het bed is ons niet nader dan de baar.

Geen troost valt aan het najaar te ontlenen,
de bladeren verworden in de goot
en de gelieven zijn voorgoed verdwenen.

Wie weet is ons vergund pas metterdood,
door vreemde hemellichamen beschenen,
iets vast te houden wat ons niet verstoot.

Jean Pierre Rawie uit: Geleende tijd (Bert Bakker, 1999)

 

 

Geplaatst in Gedichten.