Ivo van Strijtem – Terug naar toen we begonnen

Het werk van Pieter Bruegel – een caleidoscopische benadering

door Romain John van de Maele

Zoals Tijl Uilenspiegel is Pieter Bruegel een figuur voor alle jaargetijden en een knecht voor diverse taken. In Nederlandstalig België wordt hij als de belichaming van de Vlaamse identiteit gezien, en organisatoren van feesten geven hun activiteiten vaak Bruegels ronkende naam mee, eventueel in de alternatieve spelling Breughel, de schrijfwijze die de Fluwelen Bruegel gebruikte. Een schrijver die Bruegel met een onveranderlijke Vlaamse volksziel in verband heeft gebracht, is Felix Timmermans, die zijn lofzang de volgende titel meegaf: Pieter Bruegel, zo heb ik u uit uwe werken geroken (1928). In 2006 werd tijdens het zomerfestival Bruegel 06 al eens op de vele folkloristische misverstanden gewezen. Er werd toen nog eens onderstreept dat de geboorteplaats en het geboortejaar van ‘Pieter de Oude’ niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld.

Pieter Bruegel de Oude is overleden in 1569, en 450 jaar na dat overlijden probeert men met de tentoonstelling Feast of Fools, Bruegel herontdekt opnieuw de aandacht te vestigen op het werk van die uitzonderlijke kunstenaar. De tentoonstelling in het kasteel van Gaasbeek toont vooral werk van kunstenaars ‘die iets met Bruegel hebben’, en dat zijn o.a. Gustave van de Woestijne, Constant Permeke, Valerius de Saedeleer en Frits van den Berghe. Of ze echt ‘iets met Bruegel’ hadden, weet ik niet, maar er vallen wel gelijkenissen op in hun werk, al hanteerden ze zeer ongelijksoortige artistieke opvattingen. Wie echt met het werk van Bruegel kennis wilde maken, moest in 2018 naar Wenen trekken, waar in het Kunsthistorisches Museum 30 van de 45 bewaarde schilderijen werden getoond.

Wellicht geïnspireerd door Feast of Fools stelde Ivo van Strijtem de bloemlezing Terug naar toen we begonnen. Pieter Bruegel de Oude in 40 nieuwe gedichten samen. Op het achterplat stelt de samensteller of zijn uitgever: ‘Bruegel is een bakermat. Zijn werk van ruim vier eeuwen geleden is als een krachtige levensboom blijven doorgroeien tot vandaag.’ Het is een gewaagde stelling, en de inhoud van de gebloemleesde gedichten wordt als volgt getypeerd: ‘… gedichten die niet louter terugblikken, maar vooral een kritisch beeld van de moderne mens schetsen.’ Ligt het verband van de gedichten met het werk van Bruegel in de kritische verbeelding van de moderne mens, of hadden de dichters ‘ook iets met Bruegel’? De tweede veronderstelling is naar mijn oordeel ver gezocht.

Een aantal van de verzamelde gedichten heb ik vroeger gelezen in hun oorspronkelijke context, nl. die van de bundel waarin ze deel uitmaken van een ruimer totaalbeeld – ik denk aan ‘Toen’ van Bernard Dewulf in de bundel Naar het gras (2018), ‘Zonder zon’ van Herlinda Vekemans in Kwartet voor het einde van de tijd (2015) en ‘Erbarme dich’ in de gelijknamige bundel (2017) van Marleen de Crée (2017). De bundel van Herlinda Vekemans staat in het teken van de orgelmuziek van Olivier Messiaen, en Marleen de Crée liet zich inspireren door de sculpturen van Berlinde de Bruyckere. In de bundel van Dewulf, die opvallend concreet is en in de hedendaagse samenleving wortelt, heb ik ook wel eens een visueel kunstenaar ontmoet, maar niet Pieter Bruegel de Oude.

De vraag luidt dus: welke selectiecriteria heeft de bloemlezer gehanteerd? In het ‘Woord vooraf’ (6-7) schrijft Van Strijtem: ‘Rond tien meesterwerken van Bruegel groeperen zich telkens vier gedichten. Nooit echter zijn zij een praatje bij een plaatje. Wellicht was niet één van deze dichters bewust met Bruegel bezig toen hij [of zij, rvdm] het gedicht schreef.’ Dat klinkt nogal paradoxaal, want op die manier kan alles aan alles worden gekoppeld. Om de ‘symbiose’ van schilderij en gedicht te duiden verwijst de samensteller naar de term repoussoir. Dat is een schildertechniek waarbij met opzet een voorwerp op de voorgrond van een schilderij wordt geplaatst, om de illusie van diepte te vergroten. Een repoussoir is ten opzichte van de rest van het schilderij donker van kleur, en bedekt een gedeelte van de voorstelling. De donkere kleur van het repoussoir is nodig, omdat het tegenlicht suggereert, terwijl op de rest van de voorstelling wel gewoon licht valt. Soms is het repoussoir zo zwart, dat het alleen een silhouet is. Wat is nu de betekenis van het begrip repoussoir in de bundel die Van Strijtem heeft samengesteld: ‘Dienen de schilderijen als repoussoir voor de gedichten, of zijn de gedichten net een mogelijkheid om van de schilderijen opnieuw de diepte te ervaren die er van bij de creatie […] al in aanwezig was. Beide mogelijkheden nodigen elkaar uit ten dans,’ schrijft de bloemlezer. Ik vrees dat het diepzinnig ogende besluit niet meer dan een cirkelredenering is.

Ivo van Strijtem heeft grote namen kunnen strikken: Armando, Stefaan van den Bremt, Bernard Dewulf, Charles Ducal, Luuk Gruwez, Eva Gerlach, Stefan Hertmans, Leonard Nolens… maar de gedichten bij de tien schilderijen zijn niet altijd grote poëzie, of wanneer ze dat wel zijn, is het verband met het schilderij niet altijd even duidelijk. Zo heeft de samensteller het schitterende gedicht ‘Toen’ van Bernard Dewulf bij ‘Jagers in de sneeuw’ geplaatst. Het gedicht roept bij mij lente- of zomerbeelden op – ‘Het was een middag. / De metsers sloegen op de stenen. / De kinderen speelden ver.’ (22) – en in geen enkele versregel wordt naar sneeuw of jagers verwezen. Als het vredige tafereel toch naar de naderende winter en naar sneeuw verwijst, dan gaat het toch om een middag tijdens een Indian Summer. Het ironisch eindigend gedicht van Wim Brands en het wat nostalgische gedicht ‘Slee’ van Geert van Istendael passen beter bij het thema ‘Jagers in de sneeuw’. De volgende reeks heet ‘Winterlandschap met schaatsen’, en de dichters die de pen hebben gehanteerd zijn Luuk Gruwez, Gert Jan Beeckman, Herlinda Vekemans en Jan de Leeuw. Gruwez’ ‘Engelenmaand’ is te nadrukkelijk op de woorden december en het werkwoord decemberen geënt: ‘En het decembert, / het decembert hier, zowel als overal’. (28) De dichter gebruikt niet minder dan drie maal het woord thans en komt op die manier in de buurt van zwaarmoedige dichters als Karel van de Woestijne en Prosper van Langendonck. Ik heb reeds vaak schilderijen van Bruegel bekeken, maar nooit heb ik daar Weltschmerz ontdekt. Beeckman associeert sneeuw met ‘zachte muziek / voor het mededogen’ (29), maar het is Herlinda Vekemans die met ‘Zonder zon’ (30) het dichtst bij Bruegel in de buurt komt, ook al kon de schilder geen sneeuwlandschap waarnemen zonder wat schraal winterzonnelicht.

Bij ‘De ekster en de galg’ heeft Ivo van Strijtem een poëticaal gedicht van Stefan Hertmans geplaatst, maar de dichter is geen ekster, hooguit een kauw, een holtebroeder: ‘Open de deur van het gedicht: / het huis is leeg.’ (46) Het gedicht van de samensteller, ‘Er werd een meisje opgehangen’, verwijst niet alleen naar een boek, maar ook naar een doek – ‘Er werd een meisje opgehangen. / Ik las het in een boek / het stond geschilderd op een doek…’ (49) – en past wonderwel bij het werk over de galg. In de reeks ‘De aanbidding der wijzen’ valt vooral het korte parlandogedicht ‘Vannacht’ (52) van Armando gunstig op, en in de reeks ‘De oogst’ sluit het gedicht van Els Moors (60) het best aan bij de thematiek. Terug naar toen we begonnen is een zeer heterogene bundel, die vaak overtuigende gedichten bevat – ik denk aan o.a. het werk van Maud Vanhauwaert en Lies Vangasse –, die helaas helemaal niet passen in de terugblik op het werk van Bruegel. De caleidoscopische benadering is niet echt geslaagd.

____

Ivo van Strijtem (2019). Terug naar toen we begonnen. Poëziecentrum, 68 blz. € 10. ISBN 9789056551780

Geplaatst in Recensies.