Klassieker 235: Gust Gils – zeer verlaten reiziger

door Jan Buijsse

Meander Klassieker 235

Gust Gils is de derde dichter uit de groep rond het Vlaamse tijdschrift gard-sivik waar Jan Buijsse een bespreking aan wijdt. Het gedicht ‘zeer verlaten reiziger’ geeft een nuchter maar nietsontziend verslag van vernietiging. Om nooit te vergeten.

z e e r v e r l a t e n r e i z i g e r

in het blootgestelde dorp
takelen de huizen volledig af tot schrale
stangenstelsels in vorm van verwoeste bruggen,
voorzien van windwijzers
spiralen stukken tandrad

aan de omgewoelde oppervlakte piepen bebloed
de niet te vervangen onderdelen
halfmenselijke wezens
waarvan de ogen vol stof zitten
telkens iemand
voorbijgaat, wat echter niet meer gebeurt
brengen zij verwoede belsignalen voort

op de hoek van de tweede zijstraat links
heeft het pas opgerichte bankgebouw
genaamd van krediet van koopvaardij of zo
het hardnekkigst weerstand geboden
(zoals te verwachten)
en werd slechts tot zijn eerste
plaatkoperen onderhuid ontmanteld

om 4 uur 02 minuten hedenmorgen
zal in het geslonken traliënskelet van het gemeentehuis
het voltallige kollege
van burgemeester en schepenen
ernstig en ongestoord vergaderen.

vanuit de bevroren velden bijeengetrommeld
gekorrodeerd stel non-ferro mussenschrikken
dat punt voor punt en met kennis van zaken
de dagorde afhandelen zal


Gust Gils (1924 – 2002)

uit: drie partituren (1962)
uitgever: De Bezige Bij

Gust Gils behoort tot de tweede generatie nieuwe dichters na 1945. De eerste was die van het tijdschrift Tijd en Mens, met onder anderen Remy van de Kerckhove, en daar Gils in dat blad geen publicatiemogelijkheid kreeg, stichtte hij er zelf maar een, gard-sivik. In het eerste nummer ervan ook werk van Paul Snoek en Hugues C. Pernath, dichters die voor het grootste deel buiten het gezichtsveld van Noord-Nederlandse lezers bleven, alhoewel hun werk wel steeds bij Nederlandse uitgevers verscheen.

In de eerste aflevering van gard-sivik (1955), het echte gard-sivik, het Vlaamse gard-sivik, waarin de burgerwacht van de zogenoemde vijfenvijftigers zijn avant-gardekunst propageert, verontschuldigt Gust Gils zich ironiserend voor het ontbreken van hoofdletters in zijn werk: de majuskuultoets van zijn schrijfmachine is stuk. Hij doet zijn bekentenis wel in een korte prozatekst – met hoofdletters. Gils zal het genre van het korte prozastukje,‘paraproza’ zoals hij dat noemde, voortdurend hanteren. De helft van zijn werk bestaat er uit. Maar vóór gard-sivik had hij al twee dichtbundels gepubliceerd, waarvan zeer verlaten reiziger de tweede is. zeer verlaten reiziger werd in 1962 met enige wijzigingen met partituur voor vlinderbloemigen en ziehier een dame gebundeld in drie partituren. (1)

‘zeer verlaten reiziger’ is het titelgedicht van de gelijknamige afdeling in de bundel met dezelfde titel. De reiziger is niet zo verlaten of hij wordt drie maal genoemd.  Het moet duidelijk als het kerngedicht van de bundel worden opgevat. Vijf strofen, vijf zinnen (maar daarover kan men van mening verschillen wellicht), 138 woorden.

Het is een weinig uitnodigend beeld dat ons in dit gedicht wordt getoond. We overzien een verwoest dorp in een verwoest landschap, een landschap zo desolaat dat wij er niet in zouden willen verkeren. Maar het doet ons wel onmiddellijk denken aan foto’s van gebombardeerde steden met als absoluut dieptepunt die van de weggevaagde steden Hiroshima en Nagasaki, waarop slechts staketsels en een enkel geschonden gebouw te zien zijn. ‘blootgesteld’, in aanraking gekomen met straling – de lezers in de jaren 1950 en daarna hoorden er dagelijks over. Kreeg in Nederland niet elk huishouden een envelop met ‘Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf’? Het is een gedicht dat past in zijn tijd.

‘zeer verlaten reiziger’ is een gedicht met een parallelle opbouw. Elke strofe begint met een voorzetsel en een daaraan gekoppelde plaats- (4 maal) of tijdsbepaling (1 maal). Het is een overzicht dat van strofe tot strofe duidelijker wordt, van het dorp en zijn verwoeste huizen zonder al te veel details (verwoeste huizen lijken bruggen), inzoomend naar kleinere elementen, eindigend bij dat ene gebouw. Je ziet de film voor je. Het perspectief is dan ook dat van de stand-uppende ooggetuige ter plaatse die vertelt wat hij vanaf een hoger gelegen standpunt ziet. (2) Het is dus een gedicht waarvan men de woorden moet horen, de beelden in stilte erachter. De reporter kijkt in de camera met het tafereel van zijn verhaal op de achtergrond. Hij ziet verwoesting en doet er verslag van en in die verwoesting het materiaal dat het beste standhield tegen de vernietigende atoom(?)aanval: stangenstelsels, windwijzers, tandraderen, plaatkoper, traliënskelet. De metalen zijn het weerbarstigst geweest. Maar die zijn wel te vervangen, de mensen niet. Zij zijn verworden tot halfmenselijke wezens, haast onherkenbaar maar toch menselijk. Zij zijn ontdaan van hun spraakvermogen, de verslaggever merkt het op, en mocht er nog iemand langskomen (wat echter niet zal gebeuren in deze door fall-out besmette omgeving), zij zullen slechts vreemde metaalachtige kreten kunnen slaken. De twee gelijktijdig veronderstelde voorvallen vol tegenspraak – er gaat iemand voorbij wat niet zal gebeuren – leiden tot een paradoxaal gevolg, de verwoede belsignalen die niet zullen klinken. Het is haast poëticaal: hoe kan er in deze verwoeste wereld, waarin ‘schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’ heeft, nog gecommuniceerd worden als mensen verwoed, in shock zijn? De komma in Gils’ regel heeft meer de functie van gedachtestreepje.

De stand-upper heeft zo zijn eigen taalgebruik: aftakelen, voorzien van, niet te vervangen, geslonken – woorden die eigenlijk niet passen –, en vooral in de derde strofe, waar de typische Gils-ironie nóg sterker doorheen komt in het tussenzinnetje tussen haakjes. Gils dichtte levenloze voorwerpen, groot of klein, wel vaker menselijke eigenschappen toe. Een klein voorbeeld is het gedichtje ‘uithangbord’ uit Gils’ eerste bundel, partituur voor vlinderbloemigen: ‘hier werpt men / messen onkundig van hun eigen scherpte’. (3) Het woord ‘ontmanteld’ is ook weer goed gekozen in de verbinding met ‘onderhuid’. Van het gebouw op de hoek van de tweede zijstraat links – als steeds doet de journalist zo exact mogelijk verslag – staat alleen nog de kern fier overeind: de kluis. Wat dacht je anders van ‘het krediet van koopvaardij’? Dat de reporter van elders komt wordt bewezen door de toevoeging ‘of zo’, van de naam is hij niet zeker, maar van de soliditeit des te meer. En hij weet dat naast de bank ook de overheden nog betrouwbaar en paraat zijn, want al is van het gemeentehuis weinig meer over en is er in de omgeving weinig menselijks meer, het kollege is nog voltallig. Hij heeft vernomen dat om twee minuten over vier de vergadering zal beginnen, ernstig en ongestoord zal men praten. Ja, natuurlijk ongestoord, er is immers niemand meer die hen zal storen.

Punt.

Punt, want hier eindigt het eerste verhaal van de reporter. Hij weet namelijk ook dat die vergadering tot niets zal leiden. Wij moeten die kennis van zaken maar niet al te letterlijk nemen. Het is de sarcastische conclusie, natuurlijk op zijn Gils’, ‘mussenschrikken’ – die jagen het leven vanzelf wel weg. Ook hier het metaalachtige, wel van metalen die het lang zullen uithouden: non-ferro, dus het kollege was niet kapot te krijgen. (4)  Zijn handelen zal rechtlijnig en to the point zijn, alleen: voor wie?  Een weinig opwekkend toekomstbeeld van Gils, die het nooit zo ophad met autoriteiten. Hier verbeeldt de verslaggever ook nog eens voor ons de staat van het landschap: bevroren, wat niet uitdrukkelijk wil zeggen ‘koud en ijzig’, maar zeker ook stil, onbeweeglijk, zonder leven – hier past het langzaam aanzwellend diëgetisch geluid van de naderende vogelenschrikkers dat het stemgeluid van de reporter zal overnemen. Het is wat Gils genoemd heeft een ‘nahistorisch tijdperk’, in het ‘gedicht voor laat’ (in partituur voor vlinderbloemigen):

op gekalligrafeerde torens
zijn de windwijzers naïef
zuidoost blijven staan

de laatste richting
waaruit de wind hun heeft aangezwaaid
voor het eeuwig windstil is geworden
in dit nahistorisch tijdperk

ontdaan van vogels en cyclotronen

Leestekens in gedichten zijn uiteraard geen vreemde verschijnselen maar in de poëzie in de eerste bundels van Gils wel: hij gebruikt ze niet, of toch zeer zelden. In één enkel ander gedicht in de bundel zeer verlaten reiziger komen punten voor die echter zo opvallend geplaatst zijn dat ze een andere functie hebben. In een ander gedicht staat ook ergens een punt en ook dat is een gedicht dat om leestekens schreeuwt maar ze verder niet heeft. (5) Naast de volledige afwezigheid van leestekens is het gebruik van woordgroepen tussen haakjes in regels, als een terzijde, typerend voor Gils’ poëzie. In dit gedicht staan drie leestekens. De eerste komma lijkt overbodig want elders in dit gedicht staan op vergelijkbare plaatsen geen komma’s, bijvoorbeeld na ‘onderdelen’ of ‘wezens’. De tweede komma staat voor een regeldeel dat je eigenlijk ‘tussen haakjes’ leest, als een korte toelichtende mededeling. En zo zou de punt wellicht ook een leesteken te veel kunnen zijn. Maar hij staat er en kan een leeswijze ondersteunen, namelijk de scheiding tussen de reportage en de conclusie, tussen het verslag en de persoonlijke, niets goeds voorspellende uitkomst. Interpunctie brengt structuur en betekenis aan, handig voor de lezer vooral als er eens hardop gelezen wordt, iets wat de podiumkunstenaar Gils regelmatig deed.

Gils’ houding ten opzichte van de hoofdletter is functioneel. In de oorspronkelijke bundel wordt een open en schreefloos lettertype (Metrolite) gebruikt zonder kapitalen. Het maakt de regels tamelijk vlak zonder al te grote uitschieters, daarmee dit gedicht over een leeg landschap een passend uiterlijk gevend. De reiziger in dit landschap kan niet anders dan verlaten zijn in een verlaten landschap. Hij is alleen, nog versterkt door de bepaling ‘zeer’, waar het landschap door leegheid en onbewoonbaarheid onaangenaam aandoet. ‘Verschrikkingssensatie’ is dit wel genoemd. Op enige foto’s van het op 6 augustus 1945 verwoeste Hiroshima is een eenzame man te zien, gekleed in een donker jasje, een lichte broek met wat te korte pijpen, hoge schoenen. Hij staat met de handen in de zakken te kijken over een gebied met hier en daar restanten van gebouwen, staketsels, puin. Hij is een verslaggever. Zijn roerloze terneergeslagenheid spreekt boekdelen. Hij is de zeer verlaten reiziger. (6)

____

(1) In de oorspronkelijke uitgave: r. 5 spiralen en stukken tandrad; r. 7 of roestig de niet te vervangen onderdelen; r. 8 als halfmenselijke wezens; r. 17 zoals was te verwachten. Gils heeft in de tweede versie de beschrijving kaler gemaakt.

(2) Gils publiceerde in Podium 17, 2, november 1962, p. 78 het gedicht ‘Van onze ooggetuige ter plaatse’. Gils was mederedacteur van Podium nadat hij uit gard-sivik was gestapt.

(3) Let op de juiste regelafbreking. Als de eerste regel op het woord ‘messen’ was geëindigd, waren de messen nog niet geworpen. Eenzelfde betekenisvolle regelafbreking staat in dit gedicht in ‘telkens iemand / voorbijgaat’. Het wit achter de korte regels is functioneel.

(4) Non-ferro metalen oxyderen wel een beetje maar de oxidatielaag is een beschermend laagje, bijvoorbeeld om aluminium of koper, waardoor van ‘wegroesten’ geen sprake is. Gils was ook beeldend kunstenaar. Hij heeft zeker de juiste materiaalkennis gehad.

(5) Respectievelijk ‘definitie’ (dat ik hierbij geef) en ‘gedicht voor het uur p.m.’

definitie

. dit is een dalende lamp

om bij het kaarslicht van
. alle vrouwen alle nachten
binnen te gaan . een

afgedwaalde lamp


(6) Foto van US Navy-fotograaf Stanley Troutman.

Geplaatst in Klassiekers.