Dagboek van een redacteur (6)

door Eric van Loo

Afgelopen zomer heb ik Tsead Bruinja in mijn recensie van Ik ga het donker maken in de bossen van een gebrek aan concentratie verweten. Ik plaatste daarmee een vraagteken bij de mogelijk onbedoelde variatie tussen ‘ik ga deze boot lek steken’ (regel uit een gedicht) en ‘ik moet deze boot lek steken’ (titel van de afdeling). Maar ook op een ander niveau speelde concentratie een rol. Het openingsgedicht van de bundel bestaat uit vijf pagina’s tekst, die mij deden denken aan een stream-of-consciousness: ‘De tekst mist de concentratie die ik doorgaans in poëzie zoek. Indrukken uit de binnen- en buitenwereld worden aaneengeregen.’ In zijn geheel is Ik ga het donker maken in de bossen echter een bruisende bundel, waar de levensdrift en zeggingskracht vanaf spatten.

Dat brengt mij op het thema alcohol en poëzie. Nee, niet over gedichten die geïnspireerd door een paar glaasjes het licht zien, en die de volgende ochtend, ontnuchterd, te licht worden bevonden. Vergeleken met proza is poëzie op te vatten als een geconcentreerde vorm van taal. Maar tussen verschillende dichters en tussen verschillende gedichten vinden we ook weer grote verschillen in concentratie: het alcoholpercentage van de poëzie. Het lange gedicht uit Bruinja’s bundel is misschien te vergelijken met een pilsje, terwijl andere gedichten meer in de richting komen van een donkere trappist. Ook bij de veelgeprezen bundel Habitus van Radna Fabias moest ik soms wennen aan de ruim honderd pagina’s opzwepende, verhalende, provocerende en lyrische taal. Een woordenstroom, waarbij niet elke komma of lettergreep gewogen wordt, maar waar ik ten slotte wel door werd meegesleept. We mogen haar bundel inmiddels vergelijken met een champagne grand cru.

Van Herman de Coninck is bekend, dat hij in de late avond een paar whisky’s dronk, die hem hielpen de nacht door te komen. Maar ook zijn poëzie zelf heeft vaak de concentratie van een goede whisky. Weinig woorden, veel inhoud: ‘Er is hier. Er is tijd / om overmorgen iets te hebben achtergelaten. / Daar moet je vandaag voor zorgen. / Voor sterfelijkheid.’ Ook de gedichten van Menno Wigman hebben een uitzonderlijk hoge concentratie, hoewel ze niet bijzonder kort zijn. Wat mij treft bij het herlezen van zijn gedichten: in elke regel gebeurt er wel iets, elk woord is raak. Een Ierse whiskey wellicht, driemaal gedistilleerd, jaren gerijpt.

Bepaalde vormvaste gedichten, die schatplichtig zijn aan een klassiek schoonheidsideaal, laten zich goed met rode wijn vergelijken: fonkelend in het glas, met een uitgebalanceerde smaak. J.C. Bloem met een klassieke Bordeaux, Martinus Nijhoff met een fruitige Côtes du Rhône, Jean Pierre Rawie met een droge, kruidige Languedoc. Overigens is niet alle rode wijn even goed te verteren: hoed u voor de Chateau Migraine!

Het pleziervers (vaak aangeduid onder de Engelse naam light verse) is misschien wel een mousserende witte wijn. Sprankelend, makkelijk wegdrinkend. En soms zelfs gewoon een colaatje: louter taalspel.

En dan is er ook nog alcoholvrij bier. Lekker op zijn tijd. Dertig jaar geleden wist Youp van ‘t Hek met een paar rake opmerkingen Buckler uit de markt te prijzen. Tegenwoordig durven alle grote merken hun naam te verbinden aan een alcoholvrije variant van hun bier. Zo zijn er ook veel dichters die brouwsels produceren die zo min mogelijk op poëzie lijken te willen lijken. Sinds de jaren vijftig is het rijm natuurlijk geen verplichting meer. Maar ook stijlfiguren, metrum en andere poëtische technieken worden met het badwater weggegooid. Teksten die geschreven worden zonder enige gevoel voor literaire traditie.

Smaken verschillen. Cognac is niet beter dan port, wijn is niet beter dan bier. En niet elk moment is geschikt voor champagne. Ik had deze column willen besluiten met de onthechte gedachte, dat we ook in de poëzie de verschillen moeten koesteren. Toch aarzel ik over Buckler. Laten we een beetje zorgvuldig blijven in wat we de lezer schenken.


Geplaatst in Column.