Meity Völke – Aan het licht

En toen kwam de eenentwintigste eeuw

door Hans Puper



Meity Völke moet veel hebben gelezen en geschreven voor ze debuteerde met Aan het licht, want het is een opmerkelijk gave bundel. In het laatste gedicht, ‘Vier huizen terug’, lijkt ze die voorgeschiedenis te bevestigen. Ze citeert in cursief een regel uit het bekende motto van Afvaart, het debuut van Achterberg: ‘(…) Aan het roer dien avond / stond het hart maar veel werd er niet ingescheept. // Je zou nog vier keer overboord gaan / voordat je deze verzen schreef.’ (p. 73). Het gedicht staat los van de laatste afdeling en lijkt te gaan over wat er aan haar bundel voorafging.

Het eerste gedicht, ‘Stof’, begint met een verwijzing naar Mei van Gorter, opnieuw een debuut: ‘De geur van lakens op je huid maar jij staat op. / Het is lente, las je en er is een geluid dus zeg / je toe, neemt een tree, dan nog een, / daalt de ochtend in (…)’ (p. 13). De jij is een verhuld ik; de verteller praat tegen zichzelf en schept daarmee enige reflectieve afstand. De hoofdpersoon neemt zich voor te dichten. Maar dat gaat niet zomaar: al voordat zij in de keuken is aangekomen, wordt haar ‘keel door gisteren overstemd. Wat was er?’ Ze heeft een wandelaar ontmoet, die mogelijk verwijst naar de protagonist in het gedicht ‘De wandelaar’ uit het gelijknamige het debuut van Nijhoff. Deze ‘ik’, ook dichter, lijdt onder de last van zijn belezenheid, die tussen hem en het volle leven staat en mogelijk ook zijn creativiteit belemmert. De titel van het eerste gedicht, ‘Stof’ lijkt nu duidelijk te zijn, in ieder geval ten dele. In de laatste strofe roept ze de wandelaar na: “Morgen is het droog. Komt zon. Komt stof. / Morgen heb ik iets te zeggen. Morgen sta ik op.” Grappig. Völke positioneert zich tussen drie andere debutanten, die tot de grootsten van de negentiende en twintigste eeuw behoren. In haar interview in Meander zegt zij veel waarde te hechten aan de traditie, maar als je een nieuwe lente en een nieuw geluid wilt doen ontstaan, moet je je van bewonderde voorgangers losmaken – zonder hen te vergeten, natuurlijk. Dat is wat in deze eerste afdeling, ‘Aan het licht KOMEN’, gebeurt. Andere gedichten hebben motto’s van Roland Holst, Leopold en Van de Woestijne. De afdeling eindigt met ‘Een dode dichter’, een amusant, enigszins ironisch gedicht. De verwijzing naar ‘De wandelaar’ is nu duidelijk, zeker door de cursieve regel, een variant op ‘(…) Zagen mijn ogen kalm de dingen aan’:

Een dode dichter

Er werden altijd woorden opgetekend
met knokkels kloppend op de tafelpoot,
zo vijfvoets met mijn hand de daden wrekend,
die waar ik woordeloos tekort in schoot.

Met velen waren zij – hoe ik verloor,
mijn ogen zagen kalm de dingen aan.
Ik zwaaide, zweeg en schreef maar door
en steeds had een gemis mijn kleedsel aan.

O, beste lezer doe mij één plezier
en ga naar buiten, snuif de regen op.
Gebeurt het érgens, dan toch nu en híer;

geen pen of woord of zin biedt hartenklop.
Het zijn de daden waar u van kunt leven.
Ik leefde niet. Ik heb alleen geschreven.

(p. 18)

Nu is ze klaar voor haar eigen werk.

Aan het licht is een mooie, passende titel voor een debuut. Hij wordt bij iedere titelpagina van de afdelingen in cursief herhaalt, met een infinitief als toevoeging: aan het licht ‘Komen’, ‘Brengen’, ‘Ontglippen’, ‘Meegeven’, ‘Wijten’, ‘Helpen’, ‘Twijfelen’, ‘Ophangen’. Dat is aardig gevonden. Dat het dichterschap in de eerste afdeling aan het licht komt, is duidelijk en dat geldt ook voor de titels van de meeste andere afdelingen. In ‘Brengen’ vraagt de ‘ik’ zich af wat voor dichter ze zal worden. ‘Ontglippen’ is geïnspireerd op een fotoreportage van Izabella Ridder over Doel, het Vlaamse dorp dat gedoemd is te verdwijnen vanwege de uitbreiding van de Antwerpse haven. Maar haar gedichten zijn ruimer: zo is het verlangen te ontsnappen uit een benauwde omgeving, om uit te vliegen, de frustraties over een nog onvolgroeid lichaam en de tegenwerking van volwassenen iets wat de meeste jongeren van tijd tot tijd zullen herkennen.

Dertien heetten wij

Telkens kwam een winter waar geen hond om vroeg.
Ontsnappen wilden wij. Waaraan? Ons lijf. Ons dorp,
dat godvergeten spook. Het jeukte in de straten.
Dertien telden wij. Haast elke nesthaar uit ons hoofd,

nog steeds hadden we luis, nog steeds waren we thuis.
Tijd voor gladder ijs. Wij kerfden routes in ons hoofd,
stalen munten voor de tol, verstopten ons in vuilniswagens.
Maar steeds was er het toeval dat… Steeds werden

we thuisgebracht en moeder zwijgend bij de deur.
O, de vrieskou als ze keek. ‘Bonjour Tristesse, wij zijn er weer.’
Revolte neergeslagen. Vloeken in de rijstebrij. Dertien
heetten wij. En ieder jaar diezelfde lente: luchtbed lek op links,

op rechts de huizen of het kruis. Overal waaide tegenwind.

(p. 28)

Ook in dit gedicht zie je allusies, maar op een heel natuurlijke manier en dat geldt ook voor het ritmische parlando. ‘Onrijpe dichters imiteren, rijpe dichters stelen, slechte dichters verminken wat ze overnemen en goede dichters maken het tot iets beters of althans iets anders’, schreef Eliot in The Sacred wood. (Vert. Paul Claes). Kies zelf tot welke categorie Völke behoort.
Al zou het met zijn dertien regels een rondeel in zeer vrije vorm kunnen zijn, ik noem dit gedicht liever een net-niet-sonnet, want dat past uitstekend bij de inhoud. Nu waait de tegenwind ook nog uit de vorm.

De thematiek van de bundel lijkt somber: er is bijvoorbeeld sprake van onvervuld verlangen, eenzaamheid, het verliezen van jeugdige onschuld, ontheemding. Maar zo ervaar ik dat niet: ze schrijft over la condition humaine, het menselijk tekort dat we allemaal kennen. Uiteraard valt dat de een zwaarder valt dan de ander, afhankelijk van karakter en omstandigheden.

Meity Völke gebruikt traditionele, of liever klassieke vormen, in combinatie met vrije. Alliteraties en binnenrijm maken de gedichten klankrijk; eindrijm ontbreekt meestal, behalve in een sonnet als ‘Een dode dichter’. Maar daar ‘moet’ dat. Ook gebruikt ze syntactische elementen uit de prosodie, zoals inversies of anastrofen. Ritme ontstaat onder andere door leestekens, zoals in het bovenstaande ‘Dertien heetten wij’, die pauzes doen ontstaan die de grimmige toon ondersteunen. Prachtig is de beeldspraak in het volgende gedicht, bijvoorbeeld die voor sneeuw in de eerste twee strofen.

Als het sneeuwt

De hemel klopt haar kussens op
en tot slagroom alle tuinen.
Vanachter keukenramen lijkt
de wereld eetbaar, te verteren
op zijn minst. Je zit, verft

twintig gitten nagels bij
het wachten op de mogelijkheid
van melkwegresten in je haar
want tijd, eens was het ruimte.
In dit weer wil je niet naar buiten;

één stap op het gras en je weet
dat dekking niet zwart blijft
of niet wit, dat lopen
een verraderlijke mengvorm is
van je diepste honger uit

het daglicht houden,
van schimmen in de spaties
laten staan, van ziekenhuisbedden
smetteloos achterlaten en dat
niet kunnen maar toch verdergaan.

(p. 38)

Dit gedicht kan enigszins duister lijken, maar na een paar keer lezen klaart het op.

Aan het licht maakt niet de indruk een debuut te zijn; het lijkt door zijn gaafheid en raffinement een bundel van een reeds ervaren dichter. De thematiek is herkenbaar, want Völke combineert het beeldrijke particuliere met het algemene. Ik beveel hem van harte aan.

___

Meity Völke (2020), Aan het licht. De Arbeiderspers, 75 blz. € 17,99. ISBN 9789029540759

Geplaatst in Recensies.