Troosteres van de bedroefden

door Jan Loogman

 

Wie zich onzeker voelt, gaat naar huis. Russen in Nederland repten zich terug naar Rusland. Onderweg zwaaiden zij naar Nederlanders die de reis in omgekeerde richting maakten. In het eigen huis voelen Rus en Nederlander zich veiliger dan in een vreemde omgeving. Misschien zoeken zij vooral de gezichten van geliefden, kinderen, ouders, vrienden, buren. Want: ‘Voordat het licht / uit mijn ogen sijpelt, / mijn hoofd verdort tot vel, / voordat ik al mijn goud / veranderd heb in lood, / wil ik bij jou zijn / tot de dood.’ (Ingmar Heytze).

Maar kom aan, dood gaan we niet meteen. Toch is de wereld angstaanjagend en leeg. De winter ligt op de akkers, zoals in ‘Winter op het land’ van Jan van Nijlen, als meest recente Meander-klassieker besproken door Pieter M. van Sterkenburg. De akkers zijn leeg, de hoeve graaft zich in. Dan, schrijft van Sterkenburg, volgt de wending: ‘Giet olie in de lamp, ontsteek de haard, / sluit al de deuren en de vensters dicht, /staar door het raam naar de ontblaarde gaard, //  kijk naar uw vrouw, zie haar bemind gezicht, / zo leert gij hoe goed en beminnenswaard / een dag kan zijn ook zonder kleur en licht. ‘

 

‘Somber … niet langer,’ vat van Sterkenburg de aansporing van Van Nijlen samen, ‘maar bezie uw vrouw en koester haar weelde.’ Geldt deze aansporing ook voor de naar huis teruggekeerde Rus of Nederlander? Hun situatie is anders, kunnen zij beweren. Dit is geen ‘winter op het land’, die komt en ook voorbijgaat, Aanvaarding van de onvermijdelijke gang der seizoenen is mogelijk en kan een mens beter lukken, als hij of zij durft te zien wie en wat het eigen huis te bieden heeft. Maar komt na hun eigen barre tijd wel weer een goede tijd?

Vertrouwen is nodig voor een bevestigend antwoord. Veel voorkomend is het vertrouwen in de eigen controle. De angstige of verstandige mens gebruikt in de supermarkt de gereedstaande reinigingsflacon om de hengsels van het boodschappenmandje schoon te spuiten. Pas later bedenkt hij dat ook de flacon is aangeraakt door eerdere klanten. De eigen controle is beperkt.

 

Mijn lieve moeder vertrouwde op God of meer nog op de voorspraak van Maria die immers net als zij een moeder van velen was. In deze onzekere wereld bad zij tot de Moeder van Smarten, Heil van de zieken, Troosteres van de bedroefden en met haar gaf zij haar leven in Zijn hand. Wie dit godsvertrouwen mist, zoekt verder.

Poëzie is wel religie voor ongelovigen genoemd. ‘Dood. Heb geen angst. Talm niet,’ dichtte Eddy van Vliet. Zijn gedicht vraagt de dood geen angst te hebben om de mens te bezoeken. Ook maant het gedicht de dood geen praatjes te verkopen: ‘Hou mij niet voor de gek met kwalen.’ En: ‘Klop mij geen geld uit de zak / voor nutteloze uren in chique klinieken.’  Kom gerust, zegt het gedicht: ‘Veeg je voeten en wees welkom.’ Het gedicht richt zich tot de dood en via deze tot de lezer: jij kent de dood toch, vraagt het gedicht u en mij. Het is een retorische vraag, de boodschap aan ons is: aanvaard hem.

Wie meer binnen zit dan in een voorjaar past, leest de krant en bekijkt journaal na journaal om te zien of dankzij de reinigingsflacons en sociale distantie het aantal doden al gedaald is, of toch in elk geval het aantal ziekenhuisopnames, of toch tenminste het aantal besmettingen. Als de berichten tegenvallen, lijkt verdergaande afsluiting van de buitenwereld onontkoombaar. Er steekt geen kwaad in, maar het helpt niet tegen angst. De remedie daartegen is vertrouwen en het heldere inzicht dat ziekte en dood net als geboorte en geluk bij het leven horen. Beter dan het volgend journaal te bekijken, slaan we er eens een over en lezen een gedicht. Ik sla een bundel van Willem van Toorn open, een gedicht over een kerkhof, ik lees: ‘Aan de voeten van de bomen ligt de zon / te verlangen naar de deken van de nacht.’

 

afbeeldingen Pixabay

Geplaatst in Column.