Ironie, kan dat nog?

door Hans Puper

© Kamagurka

Ik houd van ironie, maar ik vraag me weleens af of ik dat stijlmiddel nog in columns kan gebruiken. Het valt me op dat ironie vaak niet meer wordt herkend, tenminste niet op papier. En als dat wel zo is, wordt zij steeds vaker afgewezen. Ironie zou een maskerade zijn en dat mag niet, je moet eerlijk zeggen wat je bedoelt. Op zich begrijp ik dat wel: ironie is niet het meest geschikte middel voor ernstige hoe verhoud ik mij tot-poëzie. Maar ironie is natuurlijk lang niet altijd een maskerade, al hangt het van de lezer of toehoorder af of hij een uiting als zodanig opvat. Dat is een van de leuke dingen van ironie. Als ik in een gesprek over het verglijden van de tijd met lage stem zeg: ‘Het graf gaapt, de tijd zoemt, nergens is redding’ – uit De Avonden – zullen degenen die deze uitspraak serieus nemen, me mogelijk een zwartkijker vinden. Of ze zijn het eens met die zienswijze. Je kunt ook denken: hij doet alsof, dat geinponem, hij heeft dat levensgevoel niet. Of: hij doet alsof hij doet alsof. Hij maakt een grap, maar hij heeft dat donkere gevoel wel degelijk. Het wordt pas een maskerade als ik niet wil dat mensen serieus op die uitspraak ingaan; als ze dat toch doen, kan ik altijd zeggen dat het maar een grapje was.

Durf ik ironie nog te gebruiken? Stel dat ik duidelijk wil maken dat de periodisering in de literatuurgeschiedenis vaak te simpel wordt voorgesteld. Dat gebeurt omwille van de overzichtelijkheid: na het expressionisme komt de Forumgeneratie, na de oorlog kwamen de vijftigers, toen de zestigers en zo verder. Zo zit het natuurlijk niet; hoe meer je je in een periode verdiept, hoe vager grenzen blijken te zijn en bovendien zijn er altijd schrijvers en dichters die je in het geheel niet in zo’n periode kunt plaatsen. Zo publiceerde Slauerhoff net als verschillende anderen zowel in Forum als in het ‘esthetisch-ethische’ tijdschrift De Stem, dat stond voor alles wat de belangrijkste Forummannen Ter Braak en Du Perron verafschuwden. Daarnaast was Slauerhoff ook nog eens een onvervalst romanticus, een eenling.

Je zou die versimpeling kunnen illustreren door een toekomstige onderzoeker over onze tijd te laten schrijven. Wij kennen de nuances en kunnen beoordelen of hij die adequaat beschrijft.
Welnu. In 2070 verschijnt de bloemlezing Stad, streek en vaderland, over de periode die dan de geschiedenis is ingegaan als ‘De benoemde dichters’. In de inleiding vinden we de volgende passage:

“Met de instelling van het instituut ‘Dichter des vaderlands’ in 2000 begon een lange periode van restauratie, die geleidelijk overging in stagnatie en voortduurde tot het einde van de eerste pandemie (2020 – 2021). Die stagnatie werd gekenmerkt door traditionele versvormen, toegankelijkheid en onderwerpen waarmee het grote publiek affiniteit had. De snelle opkomst van de sociale media versterkte deze ontwikkeling, want vanwege het vluchtige karakter daarvan plaatsten dichters vrijwel uitsluitend snel te consumeren poëzie, veelal van matige kwaliteit.
Gerrit Komrij (1944 – 2012) was de eerste ‘Dichter des vaderlands’. Zijn doel was poëzie ook buiten de kleine kring van liefhebbers onder de aandacht te brengen. Stads-, dorps- en streekdichters lieten niet lang op zich wachten; op het hoogtepunt in de jaren ‘10 waren er duizenden. In de meeste steden en dorpen hebben zij hun sporen achtergelaten: hun gedichten vindt men ook nu nog op talloze muren. Het vergroten van de aandacht voor poëzie zoals Komrij die voor ogen had, verschoof geleidelijk naar het gedicht als middel voor de constructie van een nieuwe identiteit, vaak gebaseerd op een vermeend glorieus verleden. Ook de dichter als gemeenschapsgeweten of kritisch volger van de plaatselijke politiek kwam veel voor.”

Zo’n passage zou ik nu echt niet meer in een column durven gebruiken, hoor.

Geplaatst in Column.