Mark Meekers – Slagwerk

Diepblauwe luchten en grote eenzaamheid

door Maurice Broere




Mark Meekers behoeft eigenlijk geen introductie. Inmiddels heeft hij vierentwintig dichtbundels gepubliceerd. Dit jaar kwam de vijfentwintigste uit: Slagwerk, kleine coronasuite. De bundel bevat tweeëndertig getitelde gedichten. Er is geen onderverdeling.
Een aantal kunstenaars heeft zich laten inspireren door het virus dat de wereld de afgelopen maanden in zijn greep heeft, zo ook Meekers. Alle thema’s die wereldwijd een rol spelen komen in de bundel langs: eenzaamheid, huidhonger, angst, onzekerheid, ouderen, kwetsbaren, de overbelaste zorg, contact, afstand, heimwee.

Het valt op dat Meekers in de meeste gedichten een vast patroon volgt. Hij begint met een opsomming. De elementen van de enumeratie sluit hij telkens af met een punt, ondanks dat hij ze niet begint met een hoofdletter. Hoofdletters komen bijna niet voor in de bundel. Enjambementen past hij veelvuldig toe vooral in de langere elementen van de opsommingen. Aan het eind van een gedicht volgt een soort wending die we ook tegenkomen in sonnetten. Meestal bestaat het slot uit een conclusie, een mening, een vraag, een gedachte.
De strofe verdeling is wisselend, maar altijd aanwezig en oogt tamelijk klassiek mede door de gelijke regellengte, al zou ik de gedichten niet klassiek willen noemen, omdat eindrijm en regelmatige strofe-indeling ontbreken.

91

een constructie van staal en beton die zorg-
centrum heet, aan de rand van onze bekom-
mernis. hier zitten ze veilig als bijen in een
honingraat. achter dubbel glas, in een wasem
van adem, door een virus gegijzeld,
wuivend naar kleinkinderen die niet komen.

schimmen in maanpak in de gangen. kort-
sluiting in al die verwarde levensdraden.

bijna dode materie. zij wil niet méér ei-
land worden, breekt uit, te veel in haar
vrijheid gesnoeid. ze wil de zondagse klok
horen, leven in de seringen zien bloeien,

schudt haar schaduw af, rent alsof ze 19
is naar de afspraak met de blind date van
de dood. eindelijk weg uit de eenzaamheid.
nacht strijkt zwarte zalf over haar ogen.

De inhoud is erg toegankelijk. We krijgen een verzorgingstehuis voorgeschoteld waarin we tegenwoordig ouderen onderbrengen die niet meer zelfstandig kunnen wonen. Veel zaken die in het heetst van de COVID-19-periode speelden komen voorbij: isolatie, wuivende kinderen, hulpverleners in maanpakken. De wending zit in het begin van de derde strofe. De onvrede met de hele toestand komt naar boven en de oude mevrouw breekt zich los en treedt jeugdig blijmoedig de dood, de bevrijding, tegemoet. Een aardige vondst is het omdraaien van de getallen en de dubbele betekenis van het getal 19; leeftijd en COVID-19.

GELOOFSVERLIES

iedereen snijdt zijn plak af van de bol
kaas. economen slijpen het mes. er is
troost besteld voor de naakte armen:
zij komen er zonder kleerscheuren uit.

ethici praten met vilten lippen verlekkerd
op het grote gelijk. de virologen vangen
elkaar virussen af. statistici dansen op
gebroken stelten, surfen over de golven
van hun grafieken, schakelen met ‘n koud
rekenkunstje de zwaksten uit.

cijfers hun ‘zorg’.

waar de tabellen praten zwijgt het
hart. het onmenselijke van wetenschap,
immuun voor medeleven. zij weigeren
hulp aan personen in nood, gunnen hen
geen ziekenhuisbed. de dood in promotie.

enkel in het verpleegstertje geloof ik nog.

Iedereen had wel een mening over de pandemie. In praatprogramma’s kwamen deskundigen aan het woord op allerlei gebied, die vanuit hun expertise beschreven over hoe het zou gaan verlopen en wat ons allemaal nog te wachten stond. Heel mooi geeft het gedicht de kilheid weer van al die statistiek en koele wetenschap. Dan volgt de tegenstelling met de verpleging aan het bed, die met veel medeleven hun mooie werk doet, terwijl de wetenschap immuun lijkt voor medeleven.

VERADEMING

wij weten weer wat een hemel is van
het diepste blauw dat wij ooit zagen. hoog
boven de geknotte platanen de roep van
een gans en nog een en ze keren terug.

geen vliegtuig dat hen uit de lucht maait.
zo bovenaards stil is het. hoor hoe de klok
haar tandwielen breekt op de tijd. auto’s
begraven in ondergrondse parkeergarages.

kleine picasso’s maken krijttekeningen,
hinkelen door de straten. de kastanjelaars
op de boulevards staken nooit méér kaar-
sen op, herdenken de doden, die zachtjes
op zilveren ladders naar de wolken stegen,

de uitgestrooide urnen, het zal duren voor
de aarde de as van schande en schaamte
verteert. Nero’s duim wijst weer naar boven.

Ook de positieve kanten van de periode komen aan bod. De diepblauwe hemel zonder vliegtuigstrepen, de schone lucht. De vogels die weer hoorbaar zijn door het ontbreken van verkeer. Er is meer oog voor natuur.
Mooi vind ik de overgang van de op straat spelende kinderen naar de kaarsen van de bloeiende kastanjebomen die de dichter in verband brengt met het herdenken van de doden. Tot slot volgt nog een verwijzing naar de Romeinse keizer Nero, die alleen zijn goedkeuring gaf als het goed wreed was.

Een vlot leesbare bundel waarbij geen hoge eisen aan het voorstellingsvermogen van de lezer worden gesteld. Er komt wel een heel aardig beeld van een heel unieke periode in naar voren met alle bijbehorende emoties.
____

Mark Meekers(2020). Slagwerk, kleine coronasuite. ARTsenicum, 42 blz. € 15,00.

Geplaatst in Recensies.