Peter Prins – de Stad de Dystopie

Roepende in de stadswoestijn

door Ivan Sacharov




Poëzie (waar hebben we het hier anders over?) trekt ons niet zelden een beetje uit onze comfortzone en legt daardoor iets van onszelf bloot. Onze isolatie wordt erdoor verminderd, zouden we met enige positieve overdrijving kunnen zeggen. Ik chargeer omdat het toepasselijk is dit op te merken over de bundel die ik hier wil bespreken: de Stad de Dystopie van Peter Prins. Alleen de titel al: met zo’n woord als ‘Dystopie’. Een omgekeerde utopie eigenlijk: geen onverwezenlijkbaar droombeeld, maar een (verwezenlijkte) nachtmerrie of hel. Hier ook nog met een hoofdletter geschreven, alsof het om de naam gaat van een specifieke plaats. Het eerste gedicht van de bundel (met allemaal titelloze gedichten) gaat als volgt:

de Stad ziet niets  van Water
niet zoals de Ander hunkert
naar het ontembare water
water dat druppelt  golft

niet hoe de Ander verstilt  onvoorzien
in opspelende golven  hongerig
zout toevallig zwellend zout

water in de ruimte  die verre verte
daar ben je niet  dat is geen regen te noemen

in geel gravel  nat grind harde korrels klei
tasten de bomen op een kluitje
afgunstwekkend diep
tussen al het steen  muren  droog schors

schors  huid van de Stad

We moeten het zonder verkeersregels stellen. Geen punten, geen komma’s, zelfs geen hoofdletters, de hele bundel door. Geen hoofdletters? Ja toch, voor een paar woorden: ‘Stad’, ‘Water’, ‘Ander’, en de ‘Anderen’ (wie dat ook mogen zijn). Namen voor naamloze hoofdrolspelers, zoiets. De stad is ‘de Stad’, maar blijft verder anoniem in de bundel. Hoewel ik als lezer natuurlijk vermoedens koester. Eerst dacht ik aan Amsterdam (daar heb ik eens – heerlijk anoniem – Peter Prins in een poëziewinkeltje ontmoet). Maar die ‘opspelende golven’ en dat ‘toevallig zwellend zout’, in de tweede strofe, lijken Amsterdam uit te sluiten. Mogelijk gaat het ook niet om één stad, maar om verschillende steden (waarom niet?). Of, zoals de eerste regel suggereert, om een stad die helemaal geen water ziet. Hoewel daar een kink(je) in de kabel zit: ‘de Stad ziet niets’ wordt gevolgd door enkele spaties. De ‘Stad’ kan ook gewoon ‘niets zien’. In de eerste strofe (en de rest van de bundel) worden we regelmatig op deze manier op het verkeerde been gezet: door de extra spaties tussen delen van regels wordt de suggestie gewekt dat deze delen ook enigszins apart te lezen zijn.

De algehele indruk die dit gedicht bij mij opwekt is een gevoel van vervreemding. Vervreemding die nog wordt versterkt door woordjes als ‘hunkert’, en ‘hongerig’, en door de bomen ‘die afgunstwekkend diep tasten tussen al het steen’. Een afgunst die lijkt te worden ingegeven door het feit dat bomen meer in staat zijn door de ‘huid van de Stad’ te breken dan het bewustzijn van waaruit in dit gedicht (lees: in deze bundel) ‘de Stad’ bekeken wordt.

Kunnen we over een momentaan bewustzijn spreken? De dingen worden (vaak gedetailleerd) in hun ogenblik beschreven. Haast zonder onderling verband en zonder verband met een veronderstelde toeschouwer, die eigenlijk alleen voor het aanschouwen ervan noodzakelijk is. ‘De Stad’ is anoniem, maar dit lijkt me geen ‘heerlijke anonimiteit’. De bundel had misschien ook de ‘Stad de Woestijn’ kunnen heten. Want ondanks de regelmatige verwijzingen naar water in de gedichten (water dat o.a. ‘zonder schaduw is’), is er ook in verschillende gedichten sprake van ‘een brandende zon’, en wordt er ‘overleefd’ in ‘de Stad’. Contact vindt niet echt plaats, omdat ‘de Stad begoocheling is’, en zich achter een schijn blijft verbergen:

De Stad verbergt  ook nu weer
meer vrouwen dan mannen

vrouwen die de brandende zon niet weerstaan
die driftige gebaren maken
die goed voor de dag willen komen

die de zojuist gemaakte foto’s sterk afwijzen
het tenslotte zelf doen

Zoals op het omslag staat: de Stad de Dystopie is eerder fotografisch dan tekstueel. Daar ben ik het mee eens. Maar dat verandert niets aan het feit dat ik er toch een beetje moeite mee heb om ruim 40 gedichten lang eenzelfde soort indrukken voorgeschoteld te krijgen. Gedichten die qua toon en opzet – vind ik – veel (te veel) op elkaar lijken. Dat is ook een soort woestijn! Ik zie wel dat de dichter hier en daar de monotonie probeert te doorbreken. In het bovenstaande gedicht is wat dat betreft de ambivalentie van de laatste regel misschien wel kenmerkend. Als een soort ophaaltje aan het einde van een handtekening weet de dichter – ondanks de enigszins onpersoonlijke, telegramachtige stijl die hij hanteert – toch een soort ‘pointe’ te creëren. Haast of we, tussen de schijn door, even door een echt mens worden aangeraakt!

De pointe van iets is een wonderlijk fenomeen. Een soort kenmerk van leven (van persoonlijkheid, in dit geval). Zonder pointe is er geen zin in het bestaan. Daarom zoeken we die waarschijnlijk zo driftig overal. Alles moet passen in een geprofileerd proces met een duidelijk begin en (liefst) een goed einde. Maar soms blijkt de pointe niet meer dan een verhaaltje dat we voor onszelf ophangen: een valse schijn. En dan vallen we als mens buiten de boot. Is dat ‘de Dystopie’ waar de dichter in de bundeltitel op doelt?

Het mag hierbij wel worden opgemerkt: ontkenning (door anderen) en isolatie zijn zowat het ergste wat een mens kan overkomen. Het lichaam is een antenne dat wil registreren en vooral ook: geregistreerd wil wórden. Als iemand het kostelijke goedje dat aandacht heet wordt onthouden, is hij zo goed als dood. De dood van een redeloze slaap misschien, zoals die wordt aangehaald in het laatste gedicht van de bundel:

in dit decor  de Stad ben je in redeloze slaap gesukkeld

je misleidend voorkomen verdampt
jarenlang kon je niet aan enige willekeurige dag
terugdenken

scharrelt een duif aan je gekruiste voeten
ben je van geen economische waarde

van niets bewust slaap je kosteloos in de publieke ruimte

Het beeld dat zich opdringt is dat van een zwerver of een dakloze. Iemand die nergens bij hoort. Maar dit geldt uiteindelijk voor ons allemaal. We zijn geen blijvertjes, en ook onze status is dat niet: ‘ons misleidend voorkomen verdampt’. Een regel die prachtig uitdrukt hoe ons voorkomen – datgene waarmee we ons identificeren – langzaam maar zeker als sneeuw voor de zon verdwijnt en de weg vrijmaakt voor anonimiteit. Zelfs de belasting zal ons eenmaal niet meer kunnen vinden en (om het nog even positief te bekijken) we kunnen eindelijk kosteloos slapen.
____

Peter Prins (2020). de Stad de Dystopie. Uitgeverij crU, 52 blz. € 18,00. ISBN 9789079993277

Geplaatst in Recensies.