Wilke en Jacobus

door Hans Puper

Een verre, mij tot dan toe onbekende nicht uit Bolsward had mijn vaste telefoonnummer achterhaald en belde mij naar aanleiding van mijn column over mijn achter-oudoom Hidde Puper. Ze vroeg of ik wist dat hij nog twee jongere broers heeft gehad, Wilke en Jacobus, een tweeling, geboren in 1870. Dat was me bekend, er zou iets zijn geweest met een Indonesische vrouw in Wilhelminaoord en een zoon die strijdmakker was geweest van Johannes Jonkman (1888 – 1976), de regionaal gevierde vrijdenker en anarcho-socialist. Verder wist ik niets.

Jacobus bleek de overgrootvader van mijn nicht te zijn; zij heette Ada en wist meer. Het werd een lang gesprek.

Tragische figuren waren het, aldus Ada, net als Hidde. Wilke was opstandig, opvliegend en aanvaardde geen enkele autoriteit; Jacobus was rustig, gevoelig, hij huilde snel. Verwonderlijk was dat niet. Een familielid zou heel haar volwassen leven dag na dag huilend in bed hebben gelegen; alleen tussen vijf en zeven zat zij stil voor het raam van de huiskamer. Psychische hulp bestond toen nog niet en haar dominee stond machteloos.
Wilke kwam als dagloner nauwelijks aan het werk en als dat al het geval was, werd hij vaak voor het einde van de dag weggestuurd vanwege zijn rebelse gedrag. Naar zijn vijf stuivers kon hij dan fluiten. Hoeveel zij ook van hem hielden, voor zijn ouders was hij een grote last, want ook de inkomsten van Hidde, Jacobus en vader Tsjêbbe waren zeer onregelmatig. Zij konden nauwelijks rondkomen.

Wilke haalde Jacobus over hun geluk elders te zoeken; een marskramer had hem verteld dat er in de zeevaart genoeg werk was te vinden en nog goed betaald ook. Het was hun gelukt om vanuit Harlingen per beurtschip naar Amsterdam te varen, waar zij zonder problemen aanmonsterden op SS Johan de Witt, een oceaanstomer van de Stoomvaart-Maatschappij “Nederland”, de rederij die na de opening van het Suez-kanaal voer op de Oost. Ze werden kolenstokers in de buik van het schip, verreweg het zwaarste, meest ongezonde en slechtstbetaalde werk aan boord. Zeventien waren ze; de zee hebben zij nauwelijks gezien.
Ook hier kreeg Wilke al snel conflicten met de boven hem gestelden; toen een scheepskok de bootsman meldde dat hij de socialistenmars had gezongen, was de maat vol. Ik ken het lied; ik zong mijn nicht de eerste regels voor:

Kom socialisten, sluit de rijen,
Het rode vaandel volgen wij.
Het geldt den arbeid te bevrijden,
Verlossing uit de slavernij!

Wilke werd in Port Saïd van boord gezet en niemand heeft ooit nog iets van hem vernomen.

Jacobus was ontroostbaar. Hij droste bij aankomst in Batavia, de scheepvaart had afgedaan voor hem. In Batavia werkte hij een tijd als los havenarbeider, wat hem in de hitte zwaar afging. Aan het kolenstof had hij een nimmer aflatende benauwdheid overgehouden. Toen het gerucht ging dat er voor Hollanders genoeg werk was op de theeplantages, reisde hij naar de Preanger en werd hij opzichter op de plantage Gamboeng. Het duurde niet lang voor hij zijn grote liefde ontmoette, de lieftallige plukster Merpati. Haar achternaam kende Ada niet. Ze trouwden en kregen twee dochters en een zoon: Ypke, Adinda en Lammert.

Na vijf jaar kreeg Jacobus heimwee naar zijn geboortestreek; hij kwijnde weg, was zichtbaar ongelukkig en Marpati met hem. Zijn kleine schoonmoeder Devi zag het aan. Hoe ondenkbaar zwaar het haar ook viel, zij haalde hen over terug te keren naar, zoals ze in Indië zeiden, het moederland, in de wetenschap dat zij Marpati, Jacobus en haar kleinkinderen nooit terug zou zien. Ze was oud en ziek, had niet lang meer te leven. ‘Dat is pas liefde’, zei mijn nicht. Ik kon dat niet anders dan beamen.
Na de overtocht woonde hij met zijn gezin een jaar in het plaggendorp van zijn geboorte. Daarna zijn vertrokken zij naar de kolonie Wilheminaoord, een van de vestigingen van de Maatschappij van Weldadigheid. De kolonie lag drie kilometer verderop, net over de Drentse grens. Hij kon daar een huisje en een lapje grond krijgen; dat hij in ruil daarvoor onder toezicht van de leiding kwam te staan, deerde de brave man niet. Hij wilde het beste voor zijn vrouw en kinderen.

Merpati raakte opnieuw in verwachting en stierf in het kraambed. Hun zoon bleef leven. Ada wist zijn geboortedatum nog: 17 december 1898. Jacobus noemde hem Pramana, naar zijn schoonvader, voor wie hij vanaf hun eerste ontmoeting een diepe vriendschap had gevoeld. Die naam werd al snel afgekort tot Pramke. Hij was de Puper die strijdmakker zou worden van de tien jaar oudere Johannes Jonkman. Op diens oudste dochter Aaltje werd hij hevig verliefd, wat een nieuw drama zou veroorzaken.

Jacobus kwam de klap niet meer te boven. Hij stierf niet lang nadien, in 1899, op negenentwintigjarige leeftijd. Mijn nicht heeft gepoogd zijn graf te vinden, maar tevergeefs.

Geplaatst in Column.