“Het woord is krachtig, maar niet almachtig”

Klaas Jager (Luinjeberd, 1961), woonachtig in Jonkerslân, is van beroep ornithologisch ecoloog maar ook schrijver/dichter. Bij In de Knipscheer verschenen de bundels: Windwakken in de tijd (2001), Klipgeiten (2004), De wereld heeft geen overkant (2008), Tussen hond en wolf (2016) en Dichtbrieven van een overzeese vriend (2020).
Alja Spaan sprak met hem.

In een recensie van je laatste bundel, Dichtbrieven van een overzeese vriend, wordt wijlen Joop Leibbrand van Meander aangehaald die over jouw werk schreef ‘Bij Jager zijn dichter en denker tot elkaar veroordeeld’. Is het niet eerder een perfect samengaan van gevoel en ratio? Of de ‘precisie van een chirurg’ waarmee je thema’s ontleedt?
Perfectie als een soort van blijvend symbiotisch harmoniemodel tussen ratio en emotie bestaat niet. Ook niet in woord en gedicht, in opperste staat van verbeelding. De ‘precisie van een chirurg’ verwijst mijns inziens naar de vaardige en feilloze, doch anderszins onderkoelde ambachtelijk geoefende hand, die zelfs met gesloten ogen op de tast een onberispelijke incisie in de huid maakt, om de weg vrij te maken naar verborgen weefsels in een weerloos lichaam. Ik ga bij het dichten niet met het technisch vernuft te werk zoals een chirurg of patholoog~anatoom objectmatig een lichaam ontleedt. Overigens vind ik het een charmanter idee dat ons doen en laten berust op het universele bestel van imperfectie.

Eigenlijk vaart mijn pen tijdens het schrijven veeleer op het kompas van de intuïtie en ben ik niet bewust gefocust op het ontleden van thema’s. Alsof dat in het licht van hun onuitputtelijk pluriforme, meerduidige verschijningsvormen überhaupt al mogelijk zou zijn: om vervolgens weer te trachten ze te kooien in een ogenschijnlijk bestendig, vormvast hekwerkje van niet zelden ook aan willekeur en toeval ontsproten woorden, die het gewicht van hun betekenis niet kunnen dragen, het af moeten leggen tegen de tand des tijds en de genadeloze roest van vergane geschiedenis. Uiteindelijk blijkt taal een gammele omheining en blijft er niks van over. In mijn eerdere bundel De wereld heeft geen overkant valt het inleidend mottogedicht met de deur in huis: ‘Het kan niet blijven/indien het blijven zou/ werd het op den duur onzichtbaar/al die woorden ook/ze hebben geen bloed/verdwijnen totaal zodra/de lege huls ontbindt/het meest wezenloze wit/wat er nog van over is.’

Deze ophemeling even daargelaten, zit er natuurlijk ook een andere, minder verheven kant aan. Schrijven vind ik gewoon een plezierige bezigheid. Kortom, zo doorwrocht als het lijkt, is het bij mij zeker niet begonnen. Als kind van zeven à acht jaar schreef ik al gedichten. In grote uitnodigende plakboeken, bedoeld voor foto’s en plaatjes met bijschrift, voor de nog niet verankerde geschiedenis. Waarom, waarvoor? Het voelde voor mij als een aangename hoedanigheid van geruisloos verdwijnen en verwijlen in een verstommende wereld. Het dichten was ook zoiets als componeren van de stilste muziekvorm, die alleen ikzelf op dat moment kon horen. Misschien kwam, en komt het nu nog voort uit escapisme. Ontsnappen uit de halfslaaptoestand van voorspelbare alledaagse rituelen, via het door verbeeldingskracht aangedreven vehikel onderduiken in een andere werkelijkheid, die de deur opent naar weer een nieuwe werkelijkheid, enzovoorts. Zo kwam ik tot het inzicht dat er oneindig veel parallelle werkelijkheden bestaan, ‘ontelbaar als de haren op een hond’ (Ingeborg Bachmann). Tegelijk wilde ik ook mijn intense betrokkenheid bij en mateloze fascinatie voor al het ons omringende, zowel dood als levend, tot uitdrukking brengen. Ik moest mijn energieke begeestering kwijt. Het verblijven in de natuur en het schrijven van gedichten droegen zo samen bij tot een heilzame ervaring. Ik herinner me helder hoe het me vervoerde toen ik voor het eerst schreef; de aanzet tot de eerste letter, het eerste woord, de eerste zin, het begin van een gedicht. Het niet te overtreffen momentane besef: ik besta! Een magisch transformatieproces.

 

wonderlijk zoals dingen somtijds gaan
op een dag loop je de godganse weg terug
de afstand heeft zich versmald tot brug,
die met groot gemak naar vroeger leidt

de zomer zindert, het hooiland geurt
alles bloeit en openbaart zich magistraal
bijen, vlinders en vogels vliegen af en aan
sprinkhanen striduleren in kruidig gewas

je herbeleeft het domein van je jeugd
je ziet je moeder in het keukenraam
ze wacht op je en zwaait je lachend toe
ze gebaart je om naar binnen te gaan

het lijkt allemaal veel echter dan vroeger,
toen je heden nog zonder verleden was
het tijdstip een zonnige toekomst spon

de geest opsteeg in een kolossale droom
het lichaam als een onbemande boot
rondslingerde in woelige wentelingen.

De recensent André Oyen stelt in deze bespreking dat je ‘de natuur als dierbare aartsvijand en boezemvriend’ gebruikt. Is dat eenzelfde soort ‘veroordeling’?
‘De natuur’ personifiëren en verenen tot zowel dierbare aartsvijand als boezemvriend, in al haar onbevattelijk bovenmenselijke, zou ik (met inbegrip van een scheutje zelfironie) willen duiden als een karikaturale parabool. Van veroordeling kan in dit verband geen sprake zijn. Hier tekent zich het onvermogen af van de op zichzelf teruggeworpen onzijdige dichter, die gedreven op zoek is naar de verlossing van totale eenheid, waarin identiteit er niet wezenlijk toe doet. Hij is ervan doordrongen dat hij niet anders kan dan het mysterie bezweren met woorden, maar moet lijdzaam aanvaarden dat ze niet bij machte zijn vriend en vijand, goed en kwaad, licht en donker in één lichaam van stof en geest te verenigen. In zijn visie omvat de natuur ‘ultieme volledigheid’, als goddelijke androgyne entiteit.

 

in plaats van hoogdravende dichtbrieven,
schrijf me geen raadsels of ontrafelde waarheid
botte scherven, die splijtende littekens in de ziel kerven

vertel me liever over overwonnen hartzeer
beteugelde liefdes van weleer, die nu ergens zwijgend
voor zich uitkijkend aan de ketting liggen
zichzelf dag in dag uit in de spiegel voorliegen

doop je pen niet in de schaamlap
van sentiment en verraderlijke schijn
vertel me gewoon hoe het daar was
hoe een dag uit je bestaan eruit zag

hoe het land erbij lag
het gretige gras
het gulle melkvee
zover het oog reikte
tussen mijmerende einders

houd de verbeelding voor jezelf
reserveer hem liever voor later
voor als je geen kant meer op kunt

geef toe dat er tijd verloren ging
in het spel van het doofstomme kind
kom er voor uit dat je alles, behalve
mij, in een opwelling hebt bedacht

weet dat het water wat ons scheidt
op duizelingwekkende diepten drijft
wij deinen slechts op de golven mee.

Ook stelt Oyen heel treffend dat het woord ‘overzee’ duidt op de afstand die genomen wordt (‘om beter te kunnen waarnemen’). Is die afstand niet voorbehouden aan iedere schrijver?
Uiteraard is afstand nemen een optie voor iedere schrijver, al dan niet gerelateerd aan sympathie, stijl, voorkeur en/of capabiliteit. De vraag is of een schrijver het ook bewust toepast, in hoeverre het doordringt en betekenis krijgt in zijn of haar werk. Niet zelden is het ik-gehalte tamelijk hoog en pathetisch, waardoor gedichten eendimensionaal blijven. Ik verkies afstand om gelaagdheid en verdieping te creëren; in mijn perceptie onontbeerlijk om te kunnen komen tot verdere verheldering. De strekking van Dichtbrieven van een overzeese vriend is sowieso inherent aan afstand en onbereikbaarheid. Er is sprake van een zee die hen scheidt en bij elkaar vandaan houdt. Een contrasterend en schrijnend, maar ook ontroerend beeld. Tegelijk betekent het dat ze elkaar door de onoverbrugbare kloof niet sparen en door middel van het geschreven woord op vileine wijze confronteren met ‘de waarheid’. Het gaat ook over het ambivalent, met aantrekken en afstoten gepaarde gaande, uitputtende verlangen altijd bij degene te willen zijn die je het meest dierbaar is, terwijl dat een niet waar te maken, onbestaanbare toestand is. In de kern is ieder mens op zichzelf aangewezen en zijn eigen lotgeval.

Kun je over alles schrijven? Is alles persoonlijk?
Als literaire verbeelding niet gehouden is aan kaders, dus grenzeloos is, houdt het in principe in dat je over alles kunt schrijven. In het beste geval is dit volgens mij ook wat de schrijver nastreeft. De banaliteit van de ijzige realiteit daarentegen hanteert andere wetten en is daar, eufemistisch gezegd, niet bepaald van gediend. Wie zich ten alle tijden en onder alle omstandigheden op het scherp van de snede, in de waan van onbeperkte vrijheid van het woord bedient, kan zonder enige vorm van wederhoor als een naïef lam ten prooi vallen aan de klauwen van leven of dood. Het woord is krachtig, maar niet almachtig.

Of alles persoonlijk is? ‘Alles en persoonlijk’ behelst een contradictio in terminis. Alles overstijgt het persoonlijke, en het persoonlijke is daar, in al zijn nietigheid, aan overgeleverd. In Brieven van een overzeese vriend reikt het niet veel verder dan: ‘nee, persoonlijker dan dit wordt het niet/een ontbrandende lucifer in het donker/een opblinkende vuurvlieg in de nacht.’  Of anders gezegd, om Pessoa aan te halen:  ‘In ons leven tallozen/Ik weet niet als ik denk/Of voel, wie denkt of voelt/Ik ben de plaats slechts waar/Gevoeld wordt of geacht.’ Afijn, daar kan ik me in vinden en dat is het wel zo’n beetje.

Het ‘ontluisterende’ uit je bundel grijpt misschien nog wel sterker aan dan het ‘warme’. Schrijf je niet vooral voor jezelf? Met andere woorden, de vraag waarmee het gedicht opende dat Raymond Noë plaatste in Neerlandistiek ‘Zeg het een keer recht in mijn gezicht wat jij nu eigenlijk echt nog van mij wilt?’
In ‘Zeg het een keer recht in mijn gezicht/wat jij nu echt nog van mij wilt’kijkt de dichter in de spiegel. Hij herkent weliswaar zijn spiegelbeeld, maar ziet het gezicht van iemand anders. Hij stelt zichzelf de existentiële vraag: ‘Ben ik het, is dit wie ik ben?’ Is dit mijn leven, is het voltooid? Was dit het, of zit er nog meer in? Hij staat in dubio, maar bang voor vervreemding draait hij zich om en valt terug in het bekende patroon; ‘verzadigd van volledige nietszeggendheid’. De vraag is tezelfdertijd ook een aanklacht gericht aan het gedicht, de opspelende drang eruit te willen breken, uit het harnas van woorden, die telkens stranden in hun onmachtige pogingen. ‘Hef nou toch eindelijk een keer die beperking van getraliede ruimte op, die me gevangen houdt.’

 

je geloofde in de begoocheling van het woord
je hakte het in grove moten
liet het leegbloeden

met wit had je een haatliefdeverhouding
met zwart verdonkeremaande je dat

je ervoer het als het beginsel van geluk
iets dat niet belegt in edelmetaal
of obscure obligaties

is het niks anders dan dit, wat jij hebt gewild
tijd is ijler dan ooit, hapt als een vis naar adem
stoot zich aan het licht, wordt zwaar en verdrinkt

heus, er is niks wat jou ooit tot bezit is geweest
het geraamte, het lichaam, het verblijf, de geest
het kent geen gemis, weet niet wat heimwee is

heb jij nooit, toen er iemand was die het doorzag
gedacht dit is onwaar, dit is van a tot z ingebeeld

is het niks anders dan dit wat jij hebt nagestreefd
het hoeden en koesteren van een weerloze schat?

In de recensies maar ook op de site van je uitgever wordt gesproken over het ‘nieuwe pad in je poëtisch oeuvre’. Hoe loopt dat pad en in hoeverre wijkt het af van het oude?
Met de nieuwste gedichtencyclus maak ik geen grote beweging in een totaal andere richting. Je zou het eerder een zijpaadje kunnen noemen door hetzelfde gebied dat er, simpelweg door het paadje in te slaan, ineens anders bijlag en uitzag. In deze bundel heb ik ervoor gekozen titels achterwege te laten, zodat het doorstroomt en, zonder eerst een soort van drempel over te moeten gaan, meer als een samenhangend geheel in elkaar grijpt. Daarmee onttrekt het zich aan de afbakening van het gedicht als ‘gesublimeerd A4-gezang’, hetgeen naar mijn gevoel grotere vrijheid voortbrengt en tevens andere interpretaties mogelijk maakt. Wat dichten betreft, alsook daarbuiten, ben en blijf ik dwars door alles heen trouw aan mijn innerlijke fluisterstem, die me gidst en geduldig de weg wijst. Soms negeer ik hem, als een astrante hond, die door een aanlokkelijke geurvlag op onbekend terrein kortstondig van de wijs wordt gebracht.

Is ‘de waarheid boven tafel halen’ het belangrijkste?
Waarheid is als stuifzand; het waait alle kanten op, het kan allerlei bewegingsstructuren en vormen aannemen, maar is in wezen amorf. Tussen mensen gedraagt waarheid zich als een kameleontisch gedrocht, dat schaamteloos van kleur verschiet waar je bij staat. Op zoek gaan naar ‘de waarheid’ is dan ook een tot falen gedoemde missie. Mogelijkerwijs is hooguit de zoektocht op zichzelf het ultieme doel, maar je tast steevast mis, terwijl je soms denkt dat je hem gevonden hebt. In Dichtbrieven van een overzeese vriend wordt, min of meer zonder het te overzien, tot het uiterste gegaan. Het spel om de waarheid wordt hoog gespeeld. De uitkomst is dat het niet tot een vat van vervulling en wederzijdse verzoening leidt.

Of er plausibele criteria zijn voor wat per se door moet gaan voor een goed gedicht?  Wat mij betreft bestaat er geen panklaar recept voor het maken van een gedicht; goed of slecht. Net zoals het onversneden leven zelf. Je begint eraan, het overkomt je en door vallen en opstaan ontdek je allengs, wanneer je tenminste ook af en toe het fortuin aan je zijde vindt en goed uitkijkt bij het oversteken, de voor jou aangewezen weg. Zelf probeer ik bij het schrijven een ingehouden pen te vermijden, waardoor het verkrampt en/of ongeloofwaardig wordt. Een gedicht moet daarentegen niet zwelgend ten ondergaan in overdreven, hoog opspattende lyrische hekgolven en bombastische of pathetische uitweiding. Dit buiten beschouwing gelaten, is het schrijven in bredere context getrokken niet gevrijwaard van enige onderhuidse wrevel. Ik bedoel daarmee dat ik huiverig ben voor esthetische restricties met betrekking tot vorm en taalpurisme, ook al is er misschien een bepaalde te rechtvaardigen functionaliteit mee gediend. Ik wil dit niet overdrijven, maar denk dat het zeker effect heeft op mijn gedichten, en op poëzie in het algemeen. Hoe dan ook, ik kan niet maskeren afkerig te zijn van het (calvinistisch) maaiveldsyndroom van het kwistig en naar willekeur gehanteerde kap- en snoeimes. Het vicieuze weghalen- of laten, selecteren, segregeren en aan banden leggen van zogenaamd overtollige nutteloosheid. Alles begrijp- en maakbaar willen maken en categoriseren, ondergeschikt aan menselijke hegemonie en pragmatische herordeningsdrift, om vervolgens tot cultureel gemeengoed te verklaren. Aan deze pestilente erosie vanuit bemoei- en snoeizucht vallen natuur en poëzie, die voor mij voortkomen uit dezelfde bron, ten prooi. Onder het mom van het ambigue adagium ‘de kunst van ’t weglaten’, ‘het met zo weinig mogelijk zoveel mogelijk zeggen’. De natuur leerde me echter al vroeg inzien dat werkelijk alles~alles ertoe doet. Ik probeer me er niet te sterk door te laten leiden en beperken. In alle eerlijkheid vrees ik echter dat ik daar niet genoeg in slaag, wat ertoe leidt dat ik mezelf tegen beter weten in beperkingen opleg en dat dus wat ik schrijf altijd enigermate in strijd is met wat ik in volledige vrijheid van geest zou kunnen en willen schrijven. In die zin ligt er voor deze dolende dichter nog onbetreden grond braak.

Twee gedichten van jou werden opgenomen in de gedenkbundel voor Rogi Wieg In de kring van menselijke warmte. Daarin zijn de vragen die je, al afstand nemend, tot U stelt in het gedicht Wat verbeeldt U zich wel uitermate schrijnend en toch moeten ze gesteld worden. Terwijl er een ongelooflijke rust moet liggen in het werk dat je doet (als ecoloog).
Speelt religie een rol in je leven? Valt het mysterieuze onder die noemer?
De gedichten voor de odebundel aan Rogi Wieg, die ik overigens niet persoonlijk gekend en meegemaakt heb, zijn in een adem op dezelfde voorjaarsachtige namiddag geschreven. Ik had, alweer een poos geleden, de bundel Afgekapt dichtwerk gelezen. Uit de gedichten verrees voor mij het beeld van een man, een begenadigd en niet altijd makkelijk te doorgronden dichter, met twee gezichten: soevereine sereniteit en voortdurende furiositeit. Zijn gedichten laten ongezouten zien hoe hij met deze, elkaar ondermijnende gemoedstoestanden worstelde. Ik vond daarom dat ik twee gedichten moest schrijven, die in bijna elk opzicht als uitersten tegenover elkaar staan. In Wat verbeeldt U zich wel richt de sterveling zich ‘op de Dag des Oordeels’ wanhopig fulminerend nog eenmaal tot de God, die hij in opperste staat van verbeelding zelf gecreëerd heeft. Hij is genaderd tot de onovertrefbare trap van het stoffelijke bestaan. Tegelijkertijd dood en leven vertegenwoordigen, in één lichaam en één geest, is niet aan hem voorbehouden. Zelfs de verheven dichter moet het hier af laten weten. In Pais en vree kijkt hij enigszins relativerend terug op zijn leven en verzoent zich met zijn lotsbestemming door berusting, innerlijke reflectie en herinneringen aan momenten van eenvoud, liefde, schoonheid en vluchtig geluk.

Vanzelfsprekend is religie, ofschoon vertroebeld tot nauwelijks herleidbaar containerbegrip, van invloed op mijn leven. Klassieke religie is ook in het huidige tijdsgewricht op dominante wijze alom vertegenwoordigd en derhalve niet uit te vlakken. Ondanks het feit dat onze wereld, bijna als cynische parodie, in de ban is van materialisme en door massaconsumptie geleide monomane economieën. Daar komt weinig spiritualiteit en godvruchtige devotie, met het verleidelijke vooruitzicht op een verlossend hiernamaals, aan te pas. In tegenstelling tot wat de claimculturen rond de grote religiën, waarin een hemelse godheid centraal staat, ons niet bepaald vrijblijvend en straffeloos willen laten geloven.

Voor mezelf staat religieuze beleving beknopt gezegd voor verwondering en verbeelding. Niet meer en niet minder. Het is een instrument om door mentale scheppingskracht buiten de grenzen van menselijk bereik ‘het ideaal’ mee binnen te treden. Het zoeken, en telkens iets hoger tasten naar overkoepelende waarheid is daarmee verbonden. Als je me op de man af vraagt of ik in God, of een godheid geloof, moet ik eerlijkheidshalve, misschien bekropen door lichte twijfel, ontkennend antwoorden. Van thuis uit is me dat ook niet meegegeven. Mijn pake en beppe, van mijn moeders kant, waren wel overtuigd gelovig. Ze baden voor het eten en het slapen, lazen voor uit de bijbel en gingen elke zondag getrouw naar de Nederlandse Hervormde Kerk in Nijland, een Fries dorp op de klei. Mijn jongere broer Ype en ik logeerden daar regelmatig. Op zondagen moesten we mee naar de kerk. Dat vond ik niet onaangenaam. Ik voelde me er niet door bekneld, doordat ik het niet onderging als plicht maar als leuk uitstapje. De kerk bood een betoverend decor om in weg te mijmeren, ondergedompeld in een stemmige en sfeervolle entourage van door glas in lood gefilterd zonlicht, sonoor gedragen orgelklanken en gedwee psalmodiërende, wezenloos voor zich uit starende kerkgangers. De dominee was in mijn ogen een verklede toneelspeler, die geëxalteerd opging in fantastische teksten. Kortom, ik vond het al met al wel vermakelijk.

Opgegroeid tussen vogelgeluiden. Wat leren de vogels je?
Opgegroeid tussen vogelgeluiden? Dat is een overdreven romantische voorstelling van de realiteit. Het is waar dat mijn jeugd zich grotendeels voltrok in het buitengebeuren. De rijkelijk aanwezige natuur van het toentertijd (jaren zestig-jaren zeventig) nog overheersend kleinschalig, gevarieerde en gradiëntrijke landschap, speelde een prominente rol. In het voorjaar gonsden en zongen de geurige en kleurige bloemrijke weiden uitbundig van de insecten en vogels. Overal om je heen bruiste en zinderde het van levenslust. Ik beleefde het als een fenomenaal magische openbaring. Het heeft op mij een onuitwisbare indruk gemaakt. Spelenderwijs leerde ik de vogels kennen in hun uiterlijk, gedrag en geluiden. Ik prijs me in zekere zin gelukkig, dat ik van mijn passie mijn beroep heb kunnen maken. Niet in de laatste plaats omdat ik liefst alleen ben. Ik breng veel tijd door in de buitenlucht zonder iemand tegen het lijf te lopen en kom op de mooiste en stilste, afgelegen plekken. Het werk houdt kortgezegd in dat ik op basis van een wetenschappelijk gestandaardiseerde methode broedvogels inventariseer in bos-, heide-, moeras- en graslandgebieden, die worden beheerd door verschillende natuurbeschermingsorganisaties, agrarische natuurverenigingen of particuliere landgoedeigenaars. De resultaten worden door mij beschreven en geanalyseerd in rapporten. De ornithologische gegevens worden onder meer gebruikt als indicator voor de kwaliteit van de natuur, in relatie tot gevoerde beheermaatregelen. Vogels reageren relatief snel op landschappelijke verandering en fungeren om die reden als redelijk betrouwbare graadmeters. Doordat ik de ontwikkeling van vogelgemeenschappen al zo’n 30 jaar intensief op de voet volg, brengt het uiteraard met zich mee, dat ik getuige ben van het feit dat populaties van diverse vogelsoorten, en andere flora en fauna, dramatisch achteruit zijn gegaan, of zelfs uit ons land zijn verdwenen. Dat geldt in het bijzonder voor soorten die voor hun overleving gebonden zijn aan optimaal graslandhabitat; kortom de vogels, die in mijn jeugd nog talrijk waren en mijn liefde voor de natuur hebben aangewakkerd. Vogels hebben me vooral geleerd mijn zintuigen te gebruiken: Scherp observeren, goed kijken en luisteren. Ook dat je altijd alert moet zijn; de geringste rimpeling kan een enorme impact hebben.

Moet het stil zijn om te kunnen schrijven?
Of ik stilte nodig heb om te kunnen schrijven? Nee, dat is voor mij geen voorwaarde. Sterker nog, ik ben als denker en dichter op mijn best als ik word omringd door verschillende dingen, zoals gesprekken op de radio, een reclamespotje of een of andere film op tv, geroezemoes en vaag gekonkel in de straat. Vaak luister ik onder het schrijven naar muziek die me ontroert, zodat ik me goed concentreren kan.

 

 

Geplaatst in Interviews.