“Poëzie is mijn levensader.”

Karel Wasch schrijft van jongs af aan gedichten waarin het dagelijks leven bijzonder wordt belicht. Na zijn 35e jaar is hij bekend geworden met biografieën over excentrieke figuren zoals o.a. Dylan Thomas, Brendan Behan en Jack Kerouac. Daarnaast is hij de rotsvaste recensent voor meerdere magazines.
Zijn laatste gedichtenbundel, Het geluid van denken, verscheen november 2018 bij In de Knipscheer.

foto Dik Sloots

 

Hoe ben je bij Meander terecht gekomen?
Via Alja Spaan. Wij presenteerden onze bundels gedichten bij In de Knipscheer samen in een galerie in Amsterdam. Lazen ook gedichten van elkaar voor. En ik trad weleens op bij Reuring van Alja. De maandelijkse poëziemanifestatie, die toen nog altijd doorging. Op een gegeven moment werd zij een belangrijke factor bij Meander en vroeg of ik interviews wilde doen en een column. Voor allebei heb ik te weinig tijd met alle schrijfactiviteiten zoals het maken van gedichten, het schrijven van recensies en het maken van biografieën. Een column schrijven vind ik leuk.

Wat is het verschil tussen Meander en de vorige literaire bladen waar je aan meewerkte?
Ik kan het me eigenlijk niet meer voorstellen maar ik heb gewerkt voor drie literaire bladen. Van Ruim was ik zeven jaar hoofdredacteur. Ik regelde zo’n beetje alles, advertenties, fondswerving, contact met de uitgever, auteurs. Ik deed de interviews. En ik leidde de vergaderingen van de redactie. Die verliepen vaak tumultueus. We bestonden zeven jaar toen we met Opspraak uit Nieuwegein fuseerden. Een klein blad onder leiding van Jack Koehorst, helaas overleden. Daarna richtte ik met Barney Agerbeek Nynade op. Daar werd ik een tijdje weer hoofdredacteur. Ik kan het me niet meer voorstellen naast een drukke baan in de ambulante begeleiding. Maar het verschil met Meander is, dat ik nu een dienende rol heb als een van de medewerkers en destijds was ik het opperhoofd en moest alles regelen. Wel een luxe gevoel, eerlijk gezegd.

Wat betekent poëzie voor je?
Poëzie is mijn levensader. Ik werk iedere dag wel aan een vers. Ik maak niet zoveel gedichten per jaar, schaaf en knutsel eraan. Soms is het dan opeens ‘klaar.’  En magisch moment. Maar er is één gedicht dat niet afkomt. Ik ben er al tien jaar aan bezig. Ik ben erg bijgelovig en geloof nu dat als dat af is, ik sterf. Vreemd, maar waar. Ik kan niet zonder gedichten. Ik lees veel Engelse en Amerikaanse poëzie en recenseer Nederlandse bundels voor De Leestafel. Dettie Hengeveld is daar hoofdredactrice, een geweldige vrouw.

En wat betekent het schrijven van columns voor je?
Ik schreef voor Pom Wolff superkorte columns van hooguit drie regels. Dat is echt moeilijk. De column voor Meander is eigenlijk een combinatie. Ik beschrijf ontmoetingen met literaire figuren, die ik heb gekend. Deel ze met de lezer. Een column moet wat peper hebben maar ook ontroeren. Het is niet zo’n makkelijk genre. De meeste columns bevatten eindeloos gezeur over de hond, de vrouw of aardappelen. Ik ben daar niet in geïnteresseerd. Als ik ga zeuren stop ik ermee. Ik vind het nu nog leuk om te doen.

 

Drie eigen gedichten

Beduimeld

In een bureaulade
van zijn vader vond hij
een spel kaarten
het was beduimeld en
de hartenkoningin ontbrak.
Vroeger wilde hij astronaut
worden, maar die gaan
niet meer naar de maan.
Met moeite herinnerde hij
zich de kaartspelletjes uit
zijn jeugd en leerde ze aan zijn zoon.
De spelregels verzon hij, omdat ze
uit zijn geheugen waren verdwenen.
Toch was het beduimelde spel
een brug naar het verleden zonder hartenkoningin
Misschien was ze op de maan.

 

Toen dichters droomden over engelen

Marius’ aankomst op mijn stoep, was
wat ik er meestal zo’n beetje van
had verwacht.
Maar ieder ander- bijvoorbeeld de haveloze
schilder Erik- zou geen grotere verrassing zijn dan
wat ik aantrof toen ik
de deur voorzichtig opentrok.
Het was de ongenaakbare dichter
Grotius. Dit maal geheel in het
zwart gehuld, met zelfs een Lavalliere
om zijn nek in plaats van een stropdas.
Zijn gedichtenbundels
hadden mij de afgelopen jaren –als een wervelwind-
om de oren gevlogen.
We dronken de rode port,
die hij had meegebracht en bedwelmden ons
met deze godendrank.
Jaren ervoor hadden we afgesproken nimmer nog,
nimmer, over iets triviaals of onbeduidends te spreken.
De port werkte nu in ons voordeel.
“Vertel me jouw droom en straks, ben je in de mijne!”
verbrak Grotius de stilte, gevolgd
door die prachtige zachte lach van hem.
Ik vertelde over de grote
toren waar ik plotseling een
sleutel van had en die ik beklom om boven
mijn engel te ontmoeten, die samen met
mij wegvloog hoog boven
de boomgrens, onder het geruis van de zee
en bladerwind.
Hij keek me even stil en
aandachtig aan.
“Mijn engel raakte mijn voorhoofd aan!” zei
hij. “’t Was nog warm toen ik ontwaakte!”
En we zwegen lang in een uitdrukkelijke gelukzaligheid
en verbondenheid, waarna ik hem begeleidde
naar mijn voordeur. zodat ik
hem zag verdwijnen in
het avondlicht, dat karmozijn kleurde.
Liep of zweefde hij? Of was het de rode port?

 

Vaatje

Er zat iets in mijn zak.
Een zoutvaatje. Zonder het
te merken had ik het meegenomen.
Meegenomen!
De tocht naar huis verliep
met horten en stoten- een nieuw bewijs-
voor de deplorabele toestand waarin
ik toen verkeerde.
De wind liet rillingen door de
plassen gaan, zo vormden ze
schotels gespikkeld glimmer.
Ik voelde mij alsof ik
onder een trein was gekomen
al was ik dat nooit.
In gedachten had ik doodstil
op het spoor gelegen, precies tussen de
rails. Dat had me slechts een veeg
op mijn voorhoofd
opleverde en gerinkel in
mijn oren, dat dagen bleef door rinkelen.
Iets dat nu onmogelijk lijkt.
Jaren erna kon ik terugkeren
op vleugels van
mijn herinnering, maar alles
wat bleef was het zoutvaatje,
dat ik als een relikwie koesterde.
Het uitgedroogde geklonterde zout vormde
een koek op de bodem van ‘t
glazen vaatje. Het bleef er zitten.
Onaangetast en onterecht.

 

Geplaatst in Interviews.