Huub Oosterhuis – Handgeschreven

Op grote voeten van taal

door Kamiel Choi




Toen ik zag dat er een bundel met de verzamelde gedichten van Huub Oosterhuis was verschenen, gaf ik direct aan er een recensie van te willen schrijven. Het voordeel van verzamelde werken is het volledige, voltooide beeld dat ze van de auteur geven: het was de hele Huub Oosterhuis die op mijn bureau voor het grijpen lag, een prachtig vormgegeven hardcover van 352 pagina’s, in een eigenzinnig hoog en slank formaat met rood leeslint. De bundel bevat een door hemzelf gemaakte selectie uit zeventig(!) jaar dichterschap (1950-2020) en ik wilde er een ontwikkeling in ontdekken zoals in mijn eerdere recensie van het verzamelde werk van Hubert van Herreweghen.

Een andere reden om Oosterhuis te bespreken is om hem een weerwoord te geven tegen het dichterlijke venijn van Gerrit Komrij, die hem de ‘copywriter van de firma Christus & Co’ noemde. Toen ik het boek op een willekeurige pagina opensloeg viel mijn oog (geheel toevallig?) op een gedicht dat híj over Komrij schreef, een anekdote waarin ze ruim dertig jaar nadat Komrij vond dat hij ‘onomwonden de doodstraf’ (blz. 216) verdiende, in Deventer samen een biertje dronken en elkaar naderhand ‘een lachwekkend plechtige hand’ reikten.
Het is een lijvig boekwerk vol eerder verschenen dichtwerk dat, in tegenstelling tot ‘s mans liturgische liederen, persoonlijk heet. Oosterhuis herschreef voor deze uitgave een aantal gedichten, soms van decennia geleden.

Toch krijg ik bij veel van deze gedichten de indruk van toegespitste liturgie. Oosterhuis’ lyrische ik is in veel gedichten een zoeker. In de loop van zijn leven werd de dichter door kerkelijke instituties meer dan eens gekneusd. Uiteindelijk bood ook God zelf geen troost meer (blz. 291):

Veertig jaar later vragen wij elkaar
met trillende stem
naar onze kinderen.

Hebben over god geen woord
meer nodig. Vinden de wereld, deze
meer dan genoeg.


De persoon aan wie Oosterhuis die vraag stelt is Hans van Mierlo. In de bundel nog staan tientallen andere gedichten voor en over twintigste-eeuwse tijdgenoten van Oosterhuis. In een gedicht over Lucebert schrijft hij: ‘het lied heeft het eeuwige leven’ (blz. 215). De taal zelf neemt bij Oosterhuis de rol van schepper op zich: ‘Uit dat niets heb je geschapen / momenten hoop tegen wanhoop / nieuwe taal // dichtend je gloedeigen lichtlicht / waarin wij, velen, / heel verschillende, / vandaag nog wandelen en dan even / stilstaan en zeker weten: // het lied heeft het eeuwige leven.’

De gedichten in Handgeschreven snijden zo de grote onderwerpen liefde en dood aan. De christelijke ervaringen en symboliek lopen daar als een rode draad doorheen. Dit kan leiden tot mooie poëzie, zoals in ‘Gabriël Smit’ uit 1975 (blz. 210):

Gabriël belde mij.
Ik lag, de dood ontkomen,
in Purmerend. Hij schreeuwde:
Wat hoor ik? Heb je pijn?
Ach jongen, ik ben bij je,
dat weet je toch.
——————– Ik wist het.
Zo uit de diepte riep hij.

Zo godverlaten bij me
was hij. En is gebleven.


Met dit soort kwinkslagen is Oosterhuis op zijn best. Uit het langere gedicht ‘Parcival’ (niet toevallig lijkt Oosterhuis in zijn poëzie ook op zoek naar een heilige graal): ‘Hij kwam drie ridders tegen. Zei: dag God. / Ze lachten: nee niet God, wij zijn het zelf. / Hij vroeg: kunt gij mij wijzen waar het is? / Ik zoek wat ik niet zelf bevatten kan, / onsterfelijk te zijn, of minstens goed.’

Wat wil deze poëzie? Ik kreeg bij het lezen vaak de indruk dat Oosterhuis zichzelf, en zijn intellectuele ontwikkeling, graag wil verklaren, in een gevleugeld woord wil vatten. De dichter lijkt op zoek te zijn naar het perfecte levensmotto, naar een slogan die in marmer kan worden gebeiteld, naar Gods wonder in een notendop.

(…)
Woorden zwaluwvluchten
krijsende meeuwen –
vreemdelingen op doortocht.

2.
Ook schreef ik, voor in de kerken,
gezangen volgestouwd
met mijn onberedeneerbaar
godsverlangen.

En pamfletten
hoe de wereld moet:
geen mens meer een geknecht
vernederd wezen.

Zinderend van woede
weeën en geluk
kromp ineen of ontvouwde zich
mijn leven.

[blz. 8]


De priester voor wie de woorden zelf genoeg gewicht hadden, beschreef zijn eigen baan zo (blz. 106): ‘Zondag / Op ronde wielen / door zonovergoten velden / gleed ik / naar de afgesproken plaats / waar ik de woorden / zou geven. // Vredig keerde / de gekomenen huiswaarts. // Op vierkante wielen / schokte ik / terug naar de spelonk / waar ik de woorden / ontvang.’
Wat die spelonk precies is, daarover moge de lezer oordelen, bijvoorbeeld aan de hand van de in Handgeschreven opgenomen liefdesbundel Waar je ook, die opent met het gedicht ‘C’ (blz. 174):

Tegen de storm in fietsen naar de zee
een dag met jou in je lichtblauwe jas
hoog op de dijk. Je doet de knopen los
hij waait gestrekt achter je aan hij houdt
zich aan je oksels vast. Ik wil hem zijn

iets lichts dat uit je stroomt en zich verwijdt
en door geen windkracht van je af te scheuren.


De dood en de liefde zijn eenduidige stootrichtingen die de gedichten van Oosterhuis iets naïefs geven; het kan ook aandoenlijk werken en aimabel, een priester die het zelf ook niet meer zo goed weet, een priester die bij Rome in ongenade viel doordat hij wilde trouwen en liever het Nederlands gebruikte dan de Latijnse liturgie. Een man die in 1969 uit de Jezuïetenorde werd ontslagen en daarna tal van successen boekte, aan de wieg stond van De Populier (nu De Balie) en De Rode Hoed en zelfs de bijnaam ‘De paus van Amsterdam’ kreeg. Dit kan een halfgeletterd publiek, dat graag gelegenheidsgedichten van de Dichter des Vaderlands leest en zelf ook heeft geworsteld met ontkerstening, aanspreken. Ja het zal een feest van herkenning zijn voor lezers die kunnen teren op zinnen als: ‘Jouw lichaam zocht ik / met deze ogen / die ooit de hemel afzochten.’ (‘Deze ogen’, blz. 168).

Oosterhuis gaat er prat op dat hij alle gedichten met de hand heeft geschreven. In een interview met Frits Spits zegt hij dat de T met zijn kruisvorm zijn lievelingsletter is. En: de hand zit dichter bij het hart. Dit kan een welkome afwisseling zijn in ons digitale tijdperk, en uitnodigen tot verlangzaming. In ieder geval is deze uitgave een bijzonder tijdsdocument, waarin ik ondanks de voor mij vreemde ‘postreligieuze’ poëtica, toch met enig plezier grasduin en er fijne regels in heb aangetroffen (‘Met ingehouden adem / lag je op me, plank die uitbot.’ (blz. 166); ‘Ik hoor mensen, op grote / voeten van taal, de bange / jakhalzen voorop. O mensen, / koningen van de zee.’ (blz. 137)), die aantonen dat Huub Oosterhuis meer is dan slechts de copywriter van de firma Christus & Co.
____

Huub Oosterhuis (2020). Handgeschreven. Uitgeverij Ten Have, 352 blz. € 29,99. ISBN: 9789025908881

Geplaatst in Recensies.