“De Poëzie bestaat niet, toch?”

Mirthe Smeets (1984) komt uit Zuid-Limburg, studeerde Nederlandse Taal en Cultuur in Nijmegen en is sinds 2021, na omzwervingen door Zuid-Frankrijk en Rotterdam, weer terug in het zuiden des lands. Hier geniet ze van de natuur en houdt ze zich bezig met zaken waar haar hart sneller van gaat kloppen: taal, cultuur, kunst, literatuur en uiteraard poëzie.
Alja Spaan sprak met haar.

foto Sem Pepels

 

Hoe ben je bij Meander terecht gekomen?
Volgens mij woonde ik in Aix-en-Provence toen ik jullie contacteerde… Ja! Ik werkte eerst in Limburg als journalist en redacteur, voor zowel een krant als voor een kleine uitgeverij: Uitgeverij Lemmens. Ik interviewde onze eigen dichters en auteurs, voor de website en bij boekpresentaties. Daar genoot ik van.
In Frankrijk werkte ik nog wel als journalist maar niet meer voor de uitgeverij. Ik miste het literaire aspect van mijn werk. Daarnaast was ik toen druk bezig met het vinden van freelance opdrachten. Zo kwam ik bij Meander terecht: hier kon ik mensen interviewen die mooie literaire pareltjes schreven. Ik las het online magazine al sinds ik Nederlands studeerde in Nijmegen. Vooral een interview met Charlotte Mutsaert had een keer indruk gemaakt.

Ik googlede het magazine en heb Rob de Vos een e-mail gestuurd. Wie Rob heeft gekend, weet dat hij áltijd warm reageerde. Zijn enthousiasme en open houding overtuigden; ik voelde meteen dat Meander een fijn medium was om bij betrokken te zijn. Het platform was allesbehalve elitair. Jong talent kreeg een kans.
Aandacht voor jong talent vind ik geweldig. Ik ben ook actief geweest bij jongereninitiatieven en coachee-trajecten, zoals Kunstbende, YoungPoets en Louder Than A Bomb. Het is mooi om jong talent over een zekere mate van schroom heen te zien stappen en op schrijverspad te zien gaan.

Rob vroeg me al snel als jurylid bij poëziewedstrijden. Daar ontmoette ik (digitaal) Jelmer en Alja, weet ik nog. Maar ook andere dichters en letterkundigen. Een fijn gezelschap!

Wat heb je met poëzie? Lees je veel (poëzie)?
Al van kleins af aan houd ik van lezen. Mijn ouders, broer, zussen, oma, tantes en andere familieleden deden dat ook. In de familie hadden ze een drukkerij en een boekhandel, dat had daar vast veel mee te maken. Ik herinner me dat het heel normaal was om op verjaardagen over boeken te praten, die uit te wisselen, en om gericht boeken uit te zoeken in de winkel.

Mijn moeder nam ons mee naar schrijversmiddagen in de bieb, mijn vader vertelde bij het slapen gaan zelfverzonnen verhalen en dit deed ik op mijn beurt weer als mijn jongste zusje niet kon slapen. Mijn broer bedacht mooie songteksten en mijn zus werkte dagenlang aan een zelfverzonnen boek. Toen ik in groep 3 leerde schrijven was mijn eerste wens: een eigen schrift vullen met verhalen. Zelfs voordat ik kon schrijven, maakte en tekende ik boekjes. Volwassenen, mensen die dat geheimzinnige schrift beheersten in mijn ogen, schreven dan op wat ik vertelde

Ik las alles… Van gedichtjes tot hermetische poëzie, van kinderverhalen tot de serieuzere literatuur. Daarbij genoot ik ook altijd al van illustraties en van met aandacht vormgegeven en ingebonden boeken. Het past niet echt bij mijn leeftijd, als dertiger, om huiverig te zijn als het gaat om eBooks, en ik vind ze ook echt handig, maar het échte boek voelt voor mij nog steeds als onvervangbaar. Dat gevoel van het papier door je handen laten gaan. De inkt… Rustgevend!

Normaal gesproken lees ik veel, gevarieerd en snel. Maar ik moet zeggen dat ik na een periode van rouw (zo’n vier jaar geleden) ook een tijdje niet of weinig las. Mijn concentratie was weg en ik had bij bijna elk woord wel een associatie, waardoor er radartjes in mijn hoofd aangingen en mijn gedachten het over namen. Ik las niet meer wat er stond. Gelukkig kan ik nu wel weer opgaan in een boek.

Wat voor gedichten vind je goed?
Nou, ten eerste houd ik niet zo van de term ‘goed’. Want De Poëzie bestaat niet, toch? Het blijft subjectief en heel persoonlijk. Natuurlijk is er wel kwaliteitsverschil, maar ‘goed’ is in mijn ogen geen vaststaande maatstaf. Ikzelf zoek naar poëzie die me raakt. Naar filosofische ideeën, originele woordkeuzes, dromerige zinsnedes… Het hoeft niet allemaal begrijpelijk te zijn. Ik wil graag aan het denken gezet worden. Vaak voelt het alsof een dichter een geheim deelt. Alsof hij een unieke observatie, die van een kunstenaar, met me bespreekt. Ik zie dan een andere zienswijze en gevoeligheid naar boven komen, en vind het bijzonder om de wereld op die (andere) manier te bekijken.

Hoe kom je tot de keuze van dichters voor je interviews?
Intuïtief! Ik heb dan ineens zin om ‘die of die’ te interviewen, overleg kort met Alja en benader die persoon vervolgens. Of ik dat niet eng vind? Nee. Ik ben niet per se een heel aanwezig iemand, maar ik heb wel gemerkt dat iedereen maar een mens is. Ooit interviewde ik Herman Brusselmans op een podium en ondanks waarschuwingen van iedereen voor zijn gevatte opmerkingen, ging ik er zonder verwachtingen in. Ik merkte al snel dat hij juist heel lief en rustig was. Hij vond het fijn dat ik zijn werk goed gelezen had en vragen over de inhoud stelde. En zo is dat bij elke creatieveling: mensen hebben een publiek imago, maar zijn daarnaast een individu. Iemand met passie. Iemand die graag serieus genomen wil worden. Iemand met onzekerheden. Ik ben niet bang om een dichter te benaderen, want ik wil oprecht een mooi stuk schrijven over hem of haar.

Waarom interview je dichters?
Ik weet niet hoe het kan, maar ik kan het meestal wel goed vinden met dichters. Misschien omdat ze net als ik wat sensitief, dagdromerig en idealistisch in het leven staan. Veel dichters zijn niet zo met materie bezig, maar met kijken naar kleine opvallendheden en schoonheden. Ze zijn niet plannerig en denken niet zwart-wit. Ze staan heel erg open, voor van alles en nog wat.
Dichters halen overal inspiratie uit. Zelfs uit ellende. Voordat ik die rouwperiode kende, was ik heel positief. Ik had nog nooit iets ergs meegemaakt. Toen las ik ook romantische, vrolijke gedichten op een manier zoals ik die nu niet meer zou lezen. Destijds vond ik ze realistisch, nu vind ik het vooral fijn dat ze bestaan om mensen op te beuren. Om tóch die bloem te blijven zien in de duisternis die er nu ook eenmaal is in het leven. Poëzie zou volgens sommigen niet als troost mogen dienen… Waarom niet? Die kracht van taal is toch juist zo bijzonder. Je kunt misschien niet alles vatten met taal, maar je kunt er wel voor zorgen dat iemands hart even een sprongetje maakt. Op dat moment is taal een wondermiddel.

Wat is je leukste ervaring met dichters?
Die zijn er genoeg. Ik vond het bijzonder om Marjolijn van Heemstra te interviewen in haar appartement, om Alfred Schaffer telefonisch te interviewen (vanwege mijn bewondering voor zijn werk, en zijn zachtaardige karakter), om Peter Verhelst te spreken (vanwege zijn diepe beleving van het leven), en om Tsead Bruinja in de coronatijd al Skypend te interviewen (hij is áltijd zichzelf). Onlangs voerde ik mooie gesprekken met Rashida Boukhizo en de Franstalige Anne Sophie Rutsaert maar ook met Lieke Marsman die al lang op mijn verlanglijstje stond. Tja, ik kan nog wel even doorgaan, hoor! Wie er nog meer op staan? Toon Tellegen zou ik wel een keer willen ontmoeten. En ik sta altijd open voor een kennismaking met een nieuw talent.

Dicht je zelf ook?
Ik heb wel wat gedichtjes geschreven. Als puber, als student en ook wel in die rouwperiode. Maar ik zou ze nóóit delen met anderen. Ik geloof dat ik daar te bescheiden voor ben? Ik haal wel plezier uit het schrijven, maar zie niet waarom mijn gedichten iets zouden toevoegen aan dat wat er al bestaat. Ook schrijf ik niet echt gepland, ik besef dat je heel veel tijd moet steken in gedichten of verhalen als je echt tot één eindresultaat wilt komen. Dat is mijn doel niet, ook al volg ik het schrijfproces bij anderen met veel plezier. Ik ben geregeld tweede lezer bij vrienden die schrijven.

Maak je verder nog eigen werk?
Naast de sporadische poëziepogingen schrijf ik soms kinderverhaaltjes die ik opstuur naar mijn kleine nichtjes en bewaar voor het kindje dat ik verwacht in de lente. Ook daarbij voel ik geen drang om ze te delen met een groter publiek. Ik ben al blij als ik de kindjes er leuk op zie reageren en als ik ze enthousiasmeer om zelf een verhaal te bedenken. Het is ook wel speciaal als de verhaaltjes uniek zijn, niet voor iedereen, zoals die waarop mijn vader ons vroeger trakteerde. Ondertussen vul ik mijn kasten met mooie (prenten)boeken van anderen. Nu ik een excuus heb doordat ik zelf moeder word, verwacht ik dat deze lichte verslaving toeneemt.

Wat voor toekomst zie je voor Meander?
Meander blijft doormeanderen! Kronkelig en creatief, met de stroming van een sterk team dat altijd met elkaar en de hoofdredactie kan sparren over gedichten, dichters en over het leven zelf. Meander Magazine biedt telkens weer wat nieuws en houdt de kwaliteit hoog.

 

Drie gedichten naar keuze:

Onderstaand gedicht vind ik heel mooi. Zal nooit vervelen. Ritmisch, beeldend, veelzeggend… Kouwenaar schreef bijzondere gedichten.

ik heb nooit

Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

ondertussen beet de kou mij
was de zon een dag vol wespen
was het brood zout of zoet
en de nacht zwart naar behoren
of wit van onwetendheid

soms verwarde ik mij met mijn schaduw
zoals men het woord met het woord kan verwarren
het karkas met het lichaam
vaak waren de dag en de nacht eender gekleurd
en zonder tranen, en doof

maar nooit iets anders dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

het regent ik drink ik heb dorst.

(c) Gerrit Kouwenaar,
uit Gedichten 1948-1978 (Querido, 1982)

Alfred Schaffer wees me eens op onderstaand gedicht. Van John Ashbery, vertaald door J. Bernlef (volgens deze link). Een gedicht met mijn naam als titel. Heel leuk! Een mooi gedicht…

Mirte

Wat zou je naam grappig zijn
als je hem terug kon volgen naar de plek
waar de eerste persoon hem bedacht,
en zichzelf zo noemde, of misschien
dachten een paar andere mensen eraan
en noemden zij die persoon zo. Zoiets
als het volgen van een rivier naar zijn bron,
wat onmogelijk is. Rivieren hebben geen bron.
Ze verschijnen willekeurig op een plek
waar ze breder worden, en weldra komt er
een echte rivier langs, met vissen en puin,
koninklijk zo u wilt, en iemand
heeft hem al een naam gegeven: St. Benno
(heiligen zijn hiertoe zeer populair) of, of
en een andere naam, de naam van zijn lang
geleden verloren vriendin, die eindelijk
verschijnt om die rivier te personifiëren,
op een toneel, haar stem ratelend
als zijn bedding, haar kleding van zand
en kleefpapier, een staaltje van technisch vernuft,
terwijl ze de hele tijd denkt: Ik kan
doen wat ik wil. Maar ik wil hier blijven.

(c) John Ashbery, vertaald door J. Bernlef

Dit gedicht van Maud Vanhauwaert vond ik tijdens de coronaperiode treffend en ondanks de droevige conclusie ergens tóch hoopgevend:

Als er geen danser meer was
die de wereld een draai geeft
met pirouettes

Geen speler die de rollen keert
geen schilder die het licht
uit de schaduw trekt

Muzikant die stemmen kan
verbinden en nooit voorbijgaat
aan een rust

Als er alleen nog de dichter was

Om zo’n leegte te beschrijven
hij zou de woorden niet vinden

(c) Maud Vanhauwaert,
uit de bundel Het stad in mij (Das Mag, 2020)
Geplaatst in Interviews.