Jozef Deleu (samenstelling) – Het Liegend Konijn 2021/1

Opnieuw een verrassing

door Hans Puper




De titel van de jaarlijkse inleiding van Het Liegend Konijn heeft als titel ‘Het recht om te dromen’. Daarin staat een passage waar ik van harte mee instem: ‘Macht staat machteloos tegenover dichters, die vaak onvoldoende beseffen hoe weinig schatplichtig ze zijn aan derden, met uitzondering van de grote dichters op wier schouders ze staan. Daarom is het ook zo kwalijk als dichters slijmen en machthebbers naar de mond praten of als ze hun taal aan machthebbers uitbesteden. Iedere toegeeflijkheid op dit vlak is verwerpelijk’. Daar horen wat mij betreft ook dichters bij die hun bundels zonder protest laten scannen op controversiële passages uit angst voor annulering van de uitgave.

Net als in 2019/2 opent Evi Aarens de bundel. Ik was toen verbaasd over de kwaliteit van haar sonnetten. Ik citeer: “Evi Aarens [schreef] een sonnettenkrans (…) die zo goed is dat je in verwarring raakt, want hier manifesteert zich een natuurtalent dat de schijn wekt al zeer ervaren te zijn. De krans met de intrigerende titel ‘Goed falen is een hoogbegaafde daad’ is in zijn geheel opgenomen: vijftien gedichten dus. De van eruditie getuigende discussie van Adam met zijn schepper, de schrijver, speelt een centrale rol. Is Evi Aarens een pseudoniem, samengesteld uit Adam, Eva en misschien nog een andere naam? En is Evi echt zo jong?” Ja, dat is ze. Zie de auteurspagina van uitgeverij Cossee, waar haar bundel Disoriëntaties binnenkort uitkomt.
Ditmaal schreef zij een lang gedicht: ‘Het is nog vroeg als ik mijn huid opraap (een canto)’ (p. 14-18). Een canto van ongeveer dezelfde lengte als die van Dante in de Goddelijke Komedie en in dezelfde vorm: terzinen en één eindregel. Taal speelt een cruciale rol: ‘Als lid van het geslacht van mensen droom ik van / Een taal die oud en toen met nieuw en thans verbindt.’ (p. 15). Of: ‘Een fluistering in het totaaldebat, dat is mijn wens. / De rol van figurant in het gesprek dat ooit begon / En tot het einde van de vloed intens blijft razen.’ (p.16).
Misschien kan de zee haar wens in vervulling doen gaan. Maar zonder gevaar is dat niet, lezen we op p. 15:

Ik heb de zee op zicht besteld, dus daal ik
Tot de allerlaatste tree en hef één been.
In evenwicht tel ik tot minstens twee.

Is dit de allerzeeste zee van alle zeeën? Nee. Dit is
Geen overdreven zee, maar wel een zee die alles weet.
Ik knijp mijn ogen dicht en wacht. Geen toverfee,

Geen God, profeet. Niets van hen alles, nee.
Slechts doodgewoon de zee. Het vierde uur.
De kardinaal gaat als een bij gekleed. Ik hoor de bel

Van mijn verdiende loon. Het baken dat gevaar aangeeft,
Dat zegt: tot hier want dáár is niets dan zand en rots.
Een boei is als een zoon die ons verloren wijsheid brengt.

Ze houdt vol, want ‘De zee is als de telegraaf die tot mij spreekt in codes / Die van branding zijn gemaakt.’ (p. 16). En die codes moet je zien te kraken.
Aarens heeft een goede vormbeheersing. Ze schakelt de terzinen aan elkaar met vol- of klinkerrijm, het metrum is overwegend jambisch, met antimetrieën die de inhoud ondersteunen: ‘Geen God, profeet. Niets …’; samen met binnenrijm, alliteratie en klinkerrijm geeft dit een aantrekkelijk ritme. Ik vind dit het meest verrassende en misschien wel beste gedicht van dit deel van Het Liegend Konijn.

Naast Aarens zijn er zeven dichters die nog geen bundel op hun naam hebben staan: Johan Marc Baeten, Mandy Mariska Eggerding (de winnares van de Rob de Vos-prijs 2019), Fien Leysen, Vincent van Meenen, Koenrad Moerman, Liza de Rijk en Pieter Van de Walle.

Maarten van der Graaff schreef het gedicht ‘2007’ (p. 112-114). Bij hem moet je als altijd verschillende leeswijzen uitproberen, een van de redenen waarom ik hem heel boeiend vind. Het bestaat afwisselend uit een regel en een witregel. Om een idee te geven de eerste zes regels:

Zuilen. Het land is onbewoond, vol monumenten en hypotheken.

Christendemocratische wezentjes liggen in de struiken en blazen hun schaduw de straat op.

Staat het heimwee-internet aan? Het heimwee-internet staat aan.

Elke dag: oliekleurig. Elke nacht.

We halen telkens witte plastic bakken.

Een witte plastic vormenleer bezet de werkelijkheid.

Lees ik uitsluitend associatief of kan ik er meer mee? Een poging. De laatste twee regels van het gedicht luiden: ‘Dit gebeurt ergens in 2007, in Europees Nederland. // Dertien jaar later schrijf ik een gedicht.’ Gaat het om flarden van herinneringen? Staat het heimwee-internet (zie regel 3) aan op het moment van schrijven? Maar hij beschrijft een naargeestige wereld, daar verlang je toch niet naar terug? Had de dichter in 2007 dan heimwee naar een vroegere, betere tijd? Ik denk dat je kunt zeggen dat hij nog steeds heimwee heeft, er is niets wezenlijks veranderd. Het werkwoord in ‘Dit gebeurt ergens in 2007’ staat immers in de tegenwoordige tijd, dat jaar is nog steeds actueel. De witregels zouden dan een voortdurende existentiële leegte suggereren.
De laatste regel van het gedicht bevat een van de drie voetnoten: ‘Ragachtige lucht vandaag. Ik schrijf in bed.’ Het klinkt somber, net als voorheen, getuige de tweede noot: ‘Ik gedraag me joviaal, want ik ben bang verdrietig op aarde te wonen. / Jij woont ook op aarde. Hoe werk jij met verdriet?’ Het is een noot bij de regel: ‘Ongelijkheid in het onderwijs, rond de huizen’.
Er zijn meer aanwijzingen om te denken dat vroeger en nu door elkaar lopen, maar dat voert te ver; ik heb tenslotte maar een paar regels geciteerd.

Tot mijn genoegen springt het Konijn ook dit keer weer speels alle kanten op. Zo staan Maarten van der Graaff en Jens Meijen naast nog betrekkelijk onbekende traditionelere dichters en ook de romanticus Jabik Veenbaas kreeg een plaats. Hij is in staat om met zeer weinig woorden een voorgoed voorbij verleden te schetsen met een relativerende ironie, wat het gedicht des te weemoediger maakt.

Herinnering

ik zat aan de lange tafel met het zeil
buiten werd het langzaam donker
de pruimenbomen raakten uit het zicht
tante was naar de stal
en ik wachtte

later hoorde ik hoe ze de boze bevocht
met een grauwe jurk zonder bloot
en een aardappel op de borst
die alle kwaad opnam
en dus langzaam zwart werd

maar wat wist ik ervan?
daar was ze alweer
met een koker verse melk
die ze zorgvuldig kookte
haar lang en mager lijf
over het fornuis gebogen

en voorwaar het wonder voltrok zich
mijn beker stroomde vol goedhartigheid
damp steeg op
als een dadelijk verhoord gebed

(p. 280)

Al bladerend kwam ik aan het eind nog een paar mooie regels tegen: ‘Waak voor afzetlinten, ze maken eenbaanswegen in een / hoofd’ (Meity Völke, p. 286) of ‘geweld is de moedertaal van menigten’ (Pieter Van de Walle, p. 290). Ze staan in gedichten die op zichzelf ook de moeite waard zijn.

Een mooi deel. Als altijd.
____

Het Liegend Konijn 2021/1. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie. (2021). Onder redactie van Jozef Deleu. Pelckmans, 292 blz. € 20,00. ISBN 9789463832991

Geplaatst in Recensies.