Klassieker 250: Nico Slothouwer – De man en zijn huis

door Dirk Rodenburg

Meander Klassieker 250

Dirk Rodenburg bespreekt ‘De man en zijn huis’, het eerste gedicht uit de debuutbundel van Nico Slothouwer uit 1985. Een dichter die direct de boel op scherp zet met een programmatische eerste regel en met parlando lichtvoetigheid veel zaken aanroert. Maar er is meer stilistisch taalvernuft te ontdekken in dit ultracompact gedicht.

DE MAN EN ZIJN HUIS


De man heeft een huis gevonden.
Het krijgt een ziel. Hij breekt
het dak, geduldig. Hij is een
schepper op een trap, die werkt
aan hogere muren. Hoor hoe hij
spreekt, zorgvuldig, maar niet
veel. ‘Want achter woorden blijft
men niet beschut. Dit bouwen
is goed, het gaat een leven duren.’




Nico Slothouwer (1956 – 1987)
Uit: De man en zijn tas (1985)
Thomas Rap, Amsterdam

Toen ik in 1985 de debuutbundel van de toen negenentwintigjarige Nico Slothouwer in handen kreeg en het bovenstaande, eerste gedicht daarin las, ervoer ik een sensatie: een nieuwe dichter die je direct bij de lurven pakt, ongeacht wat de bundel verder in petto heeft. Wat me aangreep was de lichtvoetige toon, het parlando, waarin hoogdravende woorden als ‘ziel’, ‘schepper’ en ‘leven’, in veel poëzie onbruikbaar om juist hun expliciete karakter en gezwollenheid, niet dissoneerden. Bijzonder. Maar er was meer. De eerste regel kwam programmatisch over. Het is een regel die – letterlijk – staat als een huis. Zo’n gedicht zou je ook als laatste in de bundel kunnen verwachten, als mooie conclusie na de zoektocht (‘gevonden’) van de man. Dat Slothouwer ermee opende, leek veelbetekenend: een dichter die de boel op scherp zet. En het vers associeerde ik als jonge lezer met Judith Herzberg, een andere parlando-dichter, die ooit in Zeepost (1963) haar oeuvre opende met het prachtig speelse Opmaat. Gaf Slothouwer ook de aanzet (‘het gaat een leven duren’) tot verder moois? Hij schiep in elk geval prettige verwachtingen. Inmiddels weten we dat anno 2021 Herzberg nog altijd schrijft en publiceert, en dat het met Slothouwer, waarover later meer, anders is gelopen.

Slothouwers vers, hoe bescheiden ook van omvang, blijft na al die jaren bij herlezing frapperen. Dat zit ‘m denk ik in een combinatie van inhoud en vorm. De dichter roert veel zaken aan. Er is sprake van een huis dat wordt gebouwd, een jarenlange constructie en het nastreven van het hogere daarbij – de wijze waarop en de reflectie van de man, zijn eveneens ingebracht; zaken die gestopt zijn in een ultracompact gedicht – zonder dat er een wringend gevoel van overdaad ontstaat. Dat is knap. Het zijn thema’s die in niet-groots aandoende taal zijn geformuleerd; parlando-poëzie met in de stilistische uitwerking onderliggend raffinement. Eerst de inhoud.

Na de eerste zin volgt direct een bespiegeling. Hij ‘breekt’ het dak, maakt de onderdelen van het dak gereed, passend en zorgvuldig. Het woord ‘schepper’ krijgt nadruk. Dan is er nog een trap die naar het hogere leidt. Daarin zou je de jakobsladder kunnen zien, de pendelbeweging tussen God en mens. De mystieke connotatie. Het kan ook aardser. De man die zijn (lots)bestemming vindt, en zijn leven lang werkt aan de realisatie van (zelf)gestelde doelen: de eigen – kleine of grote – mythologie. Tegelijkertijd is er een sterke tegenstelling, weet de man dat zijn houding tegenover al dat groots nederig moet zijn: hij is geduldig en zorgvuldig, en beseft dat zijn bouwen een leven duurt. Of de voltooiing ervan in of met de dood plaatsvindt wordt – mooi – open gelaten. Slothouwer plaatst dit gedicht in zijn debuut als eersteling, zoals gezegd. Dat hij daarmee op zijn minst ook iets over zijn (beginnend) dichterschap wil zeggen, is verleidelijk aannemelijk. Dat hij het heeft over ‘woorden’ – het eerste zelfstandig naamwoord in het citaat – is daarvoor een vingerwijzing. En het ‘zorgvuldig’ en ‘niet veel’ spreken ook; als er iemand is die niet kwistig is met woorden, dan is het de dichter, degene die verdicht. Tijdelijke weerbaarheid kan de taal niet bieden, men blijft er niet achter beschut – misschien op termijn? Met de laatste zin is er een metafoor van het gestaag bouwen aan een opus, een proces dat de man met vertrouwen tegemoet ziet, ‘dit bouwen is goed’.

Slothouwer laat een gevarieerd instrumentarium los. Er zijn een paar fraaie binnenrijmen, ‘geduldig’ met ‘zorgvuldig’ en ‘muren’ met ‘duren’, die nog net genoeg dicht bij elkaar staan om te echoën; en, een heel stuk minder van elkaar verwijderd, de assonanties ‘dak’ met ‘trap’ en ‘spreekt’ met ‘veel’. Subtiel is de alliteratie: ‘blijft’, ‘beschut’ en ‘bouwen’. En het enjambement verdient aandacht. ‘Hij breekt / het dak, (…)’ De dubbele k-klank maakt het breken bijna voelbaar. Een aantal zinsdelen krijgt door het voorafgaande enjambement een kleine versnelling mee, achtereenvolgens ‘het dak’, ‘schepper op een trap’ en ‘aan hogere muren’; ook door het groeiend aantal lettergepen. Een acceleratie die even tot staan komt door ‘maar niet’, waardoor het eropvolgende ‘veel’ een moment in de lucht blijft hangen, de volle aandacht krijgt. De grootste vondst zit misschien in de laatste regels. Slothouwer laat hier de man aan het woord. Van alle parlando volgt dan de helderste spreektaal van het gedicht. Het geeft het voorgaande door de perspectiefwisseling een relativerende lichtheid mee – en daarmee de juiste zwaarte. Het metrum van het citaat is jambisch, volledig, waardoor datgene wat beweerd wordt onbewust aanvoelt als waar. Het vers is rond.

Het niveau in deze bundel is zeker niet constant. Sommige poëzie mag je als wat onrijp omschrijven. Naast het besproken gedicht is ook het vers dat deze bundel zijn titel geeft een parel, over de man die zich een tas aanschaft: ‘Hij kocht hem om te worden heengezonden met een ideaal, / dienstwillig diplomaat te zijn van wat hij miste.’ Uit dat soort regels spreekt potentie. Daarom is het betreurenswaardig dat het bij Slothouwer bij een bescheiden aantal publicaties is gebleven. De dichter pleegde in 1987 zelfmoord. Een tweede bundel was toen in voorbereiding, getiteld Liefdesstratenplan, dat later (1994) de naam zou worden van het verzameld werk dat, aangevuld met proza en brieven, uit zo’n honderd gedichten bestaat. Ze getuigen van een verbrokkelde perceptie: ‘schichtig breekt ons wereldbeeld aan stukken; / wij denken dat het zien van breuken inzicht heet’ (uit de reeks: Ontmoetingen met de verkoper). Jammer dat ons van Slothouwers geobserveerde fragmentaties geen verdere doorkijkjes zijn gegund.

Dirk Rodenburg

 

We kregen een reactie op deze bespreking van Wim Kloek:

Bedankt voor ‘De man en zijn huis’. Voor mij was het een ontdekking, ik ben de naam Slothouwer denkelijk niet eerder tegengekomen. Ik heb een vraag over de interpretatie van het gedicht. De zin ‘Hij breekt het dak, geduldig’ verwart mij, met name het breken. Ik snap dat het mooi past bij het einde van de regel, maar verder is het nogal onnatuurlijk. Een dak wordt gelegd of gedekt, maar niet gebroken. Dat doet mij denken dat het huis niet wordt gebouwd, maar afgebroken. Dat zou ook nog kloppen met het feit dat het huis al staat in het begin en dat eerst het dak wordt gebroken en daarna de hoge muren (alles keurig in logische volgorde).

 

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.