Marit Kapla – Osebol

Hoe genoeglijk rolt het leven des gerusten landmans heen

door Hans Puper




Osebol is een dorpje in Zweden, ongeveer 400 kilometer ten noordwesten van Stockholm. Het gelijknamige boek bestaat uit een lange reeks interviews in poëzievorm met de veelal bejaarde inwoners – een flink aantal van hen werd al voor de Tweede Wereldoorlog geboren. De vertaling uit het Zweeds is van Janny Middelbeek-Oortgiesen.

De schrijfster Marit Kapla (1970) groeide op in Osebol, vertrok als tiener naar de stad en keerde een paar jaar geleden terug om de reportages te maken. De hoofdstukken hebben de namen van de geïnterviewde inwoners en hun geboortejaar en, als ze inmiddels zijn overleden, ook hun sterfjaar. Een inhoudsopgave ontbreekt; iets nazoeken is lastig. Misschien was dat ook Kapla’s bedoeling: je kunt het boek openslaan en op bezoek gaan bij een willekeurige inwoner, want een verhaallijn ontbreekt.
In Zweden zijn 20.000 exemplaren van het omvangrijke werk (816 pagina’s) verkocht; naar verhouding zou dat in Nederland bijna het dubbele zijn geweest en voor poëzie is dat veel. Osebol heeft dan ook alle ingrediënten voor een bestseller: de nostalgie om een gemeenschap die verdwijnt, herkenbare personen en verlangens, makkelijk leesbaar. Ook de romantische schijn van natuurlijke goedheid van plattelandsbewoners wordt hooggehouden, wat de mogelijkheid biedt het platteland te idealiseren, uiteraard in contrast met de onleefbare, vervuilde stad. Liefde lijkt in Osebol vooral de vorm te hebben van gemeenschapszin en genegenheid voor familieleden. Seks ontbreekt; de meest expliciete hunkering – of tenminste de herinnering daaraan en gekoppeld aan een gewenst huwelijk – komt van ‘Annika Axelsson geb. 1959’:

Het was op een dansavond in het Nutsgebouw in Ambjörby.

Ik hou van dansen.

Åke was er ook en ik wist
dat hij heel goed kon dansen.

Die avond dansten we wat
en op de een of andere gekke manier
riep Åke sterke gevoelens bij me op.

Er ging als het ware
een klik door mijn hoofd
van die moet ik hebben.

Hij was al gevraagd.

Maar ik ging naar hem toe
en ik zei
zeg
ik wil de laatste dans met jou
en toen danste hij met mij.

Er lag op dat moment nog niks vast
maar ik voelde
dat het klopte.

(p. 269)

Op een enkele uitzondering na vormt de dood in Osebol het einde van een welbesteed leven. Geweld en misdaad ontbreken. De verhalen gaan over werk, het vroegere leven, de tegenstelling tussen stad en platteland, de brug die kapot is en niet meer gerepareerd zal worden, de skipiste die nooit is afgebouwd ondanks het vele vrijwilligerswerk, de verknochtheid aan de grond, de weldadige rust, de bosarbeid en hoe zwaar die was, de ontvolking van het platteland, het AZC dat inmiddels weer is verdwenen, enzovoort. Het zal niet verbazen dat veel gedichten eindigen met dooddoeners: ‘Er valt niet zoveel te kiezen’. ‘Tja, het is niet anders’. ‘Zo was het’. ‘Zo zit dat’. ‘Niemand had iets te klagen’. ‘We zien wel.’

Door de regelafbrekingen en witregels las ik de interviews aanvankelijk als gedichten, maar gaandeweg als proza. Daarvoor had Kapla ook kunnen kiezen, zonder in de meeste gevallen ook maar iets aan zeggingskracht te verliezen. Dat is een van mijn bezwaren tegen het boek. Bij goede poëzie speelt de vorm immers een essentiële rol. Probeer maar eens een gedicht uit te schrijven in proza en je zult zien dat er niets van overblijft. De enige reden voor de keuze van gedichten zou het vele wit kunnen zijn, als beeld voor de rust van de bewoners en de ruimte in en rond Osebol, maar dat wordt wat eentonig als dat 796 keer wordt herhaald. Bovendien zijn er ook enkele dynamische, onrustige bewoners – de meest interessante in mijn ogen – en bij hen zou proza misschien weer beter passen. De man van Annika bijvoorbeeld, ‘Åke Axelsson Geb. 1947’, de man die zo goed kon dansen. Hij is eigenzinnig en direct. Hij keert zich tegen de in zijn ogen cultuurcorrecte lieden in de volksdansgroep die hij heeft opgericht:

Ik heb nooit gedronken
wanneer ik ergens de leider van was
en alles wat ik op me nam
dat heb ik uitgevoerd.

Maar ik kreeg er commentaar op
dat ik dronk
en dat ik uitgelaten was en op de grond stampte
wanneer ik danste
want het stond niet in de boeken dat ze dat deden.

Toen vroeg ik
waar is een dansgroep voor?

Ja, dat is om de cultuur van de streek te bewaren.

Nou, zei ik
maar dan zit ik op het goede spoor
want in Ekshärad hebben we altijd al
gezopen en op de grond gestampt.

(p.305)

Een man naar mijn hart, Åke Axelsson.

Het is niet verbazingwekkend dat juist buitenstaanders de meest boeiende bijdragen leveren: zij hebben over het algemeen meer van de wereld gezien dan het overgrote deel van de bewoners. Indrukwekkend is het levensverhaal van ‘Armgard zu Putlitz geb. 1937’, die na de oorlog met haar moeder, broertje en zusje vanuit de DDR naar het westen kon vluchten, dankzij de hulp van een wellevende Russische officier, die moeder gevangen moest nemen vanwege vermeend wapenbezit. Maar wat moest er dan met de kinderen gebeuren? Vader was na zijn arrestatie al spoorloos verdwenen. ‘Hij vroeg / had u geen familie in het westen? // Ja, zei ze / mijn schoonmoeder en mijn ouders. // Hij zei / dan krijgt u vierentwintig uur de tijd / om daar met uw kinderen naartoe te gaan / en daarna komt u terug. // Hij wist wel dat ze dat niet zou doen.’ (p. 120).
Amusant is de blik van een van de weinige jongere inwoners, de nuchtere Pool ‘Mattias Danilowicz geb. 1991’. Hij kan zich over het gedrag van Zweden zeer verbazen: ‘Ik was gewoon in shock // Wanneer je naar een feest gaat / dan kan het voorkomen dat je geen eten krijgt / zoals in Polen wel / en ook geen alcohol / zoals in Polen wel.’ (p. 224). Of neem de onconventionele, uiterst creatieve kunstenaar en ondernemer ‘István Fóth geb. 1943’, die zorgt voor reuring en werk in het dorp. Hij kwam als jonge vluchteling terecht in Zweden na de Hongaarse opstand in 1956. Met andere vluchtelingen werd hij ondergebracht in een hotel en zij voelden zich zeer welkom: ‘Ze namen koks in dienst / en er werden dingen georganiseerd / en als ik me niet vergis / is de koning ook een keer langsgekomen. // In die tijd waren vluchtelingen / iets positiefs zeg maar.’ (p. 447) Au.
Nederlanders zijn er ook, waaronder “Geert Cornelis ‘Geco’ Denkers Geb. 1956”, een ex-commando met opvattingen die binnenkort helaas weer in vele kroegen zullen worden gehoord. Nederland is naar zijn mening te vol en dat veroorzaakt agressie. En Malmö, Stockholm, Gotenburg: van hetzelfde laken een pak. Een fragment van een van de gedichten die aan hem zijn gewijd:

Hoe meer mensen
en verschillende mensen
die op een klein oppervlak wonen
hoe meer agressie.

Agressie en geweld.

Zien ze jou met een telefoon
dan willen ze ook een telefoon.

Jij hebt ervoor gewerkt.

Zij hebben geen inkomen
dus stelen ze hem.

(p. 577)

Zou Kapla ‘verschillende mensen’ eufemistisch gebruiken? Het zou me niet verbazen. Mannen als Denkers uiten zich anders.

De ontvolking van het platteland is een welhaast universeel verschijnsel en dat had een document van belang op kunnen opleveren als Kaplan minder discreet had durven zijn, als ze had doorgevraagd. Nu bestaat Osebol voor het overgrote uit gekeuvel dat je overal kunt horen als mensen tijd overhebben, in het openbaar vervoer bijvoorbeeld. Dat is een beetje karig voor zo’n lijvig boek.
___

Marit Kapla (2021). Osebol. Getuigenissen van het Zweedse platteland. Vertaald uit het Zweeds door Janny Middelbeek-Oortgiesen. Atlas Contact, 816 blz. € 24,99. ISBN 9789025467265

Geplaatst in Recensies.