Terwijl je domweg op je stoel blijft zitten

Alain Delmotte is een Vlaams dichter, essayist en performer. In 1983 debuteerde hij met de bundel Sociaal realisme. Vanaf de jaren ’90 experimenteert de dichter met cross-over vormen tussen poëzie en beschouwingen. Vanaf het begin van de 21e eeuw koos hij resoluut voor de vorm van het prozagedicht. Anno 2021 heeft Alain Delmotte vijftien publicaties op zijn naam staan. Zijn laatste bundel TWEE DOCHTERS Iets dat niet meer duurt, zou elke vader in het handschoenkastje van zijn wagen moeten liggen hebben en dochters in hun schatkist. De poëzie van Alain Delmotte zal hen behoeden op hun wegen.
Truus Roeygens sprak met hem.

Op de dag van het interview met Alain Delmotte, hangen ooievaars als schone was aan een lichtblauwe hemel, heeft het warmgele warhoofd plaatsgemaakt voor een lamwitte maan. Ik had een mooie leerzame dag.

Want. Laat de poëzie van Alain Delmotte hier en daar ‘in zichzelf gekeerd’ zijn door bijvoorbeeld de doorgedreven zelfbevraging, meestal voelt de taal ervan aan als een kwetsbare overgave aan de lezers, als een daad van liefde. Zo blijft het ook bijzonder lang stil na het lezen van een gedicht. De andere stilte, die van voor het ontstaan van een gedicht, kent alleen de dichter. Hoe bereid je jezelf voor op een gedicht?
Ik probeer me inderdaad tot de Ander te richten. Die gerichtheid noem ik het ‘poëtische gebaar’. Een daad van empathie en evenzeer een conflict oproepende daad. Onze verhouding met de Ander is vaak problematisch en verloopt meer dan eens conflictueus. Het conflict is in zekere zin één van onze levensaders.
Soms lijkt het wel of mijn gedichten meer weten over mezelf dan ik over gedichten. Ik bereid me nooit expliciet voor op een gedicht. Er liggen heel zeker thema’s en ervaringen te woelen en te wachten op verwoording. Maar ik heb de indruk dat vooral het gedicht zich op mij voorbereidt. Dat het zich laat opwellen op momenten dat het meent dat ik er klaar voor ben. Als dat mij overvalt dan heb ik te kiezen: het gedicht nemen of het gedicht laten. Er zijn al vele gedichten die mij ontglipt zijn.
Mijn schrijfkamer en – tafel is mijn notitieboekje waarin ik tot leven kom in de taal. De volgende ochtend, bij het herlezen van die notities, heb ik wel eens last van een kater. Wat er staat is nooit wat ik had verwacht, nooit datgene waarnaar ik op zoek was, nooit de exacte weergave van wat ik meende op te vangen. Wat me meteen motiveert om het volgende gedicht op te wachten: in de hoop dat het dit keer echt wel wat wordt.

 

LEERDICHT OVER HET WOORD ‘MEREL’ EN OVER DE MEREL ZELF

7.

Je luistert naar een merel zoals je woorden leest. De mooiste
woorden uit je bibliotheek.

Je luistert naar een merel. Zoals je wijn drinkt en dan op een
beetje dronkenschap wacht.

(Is het de taal die ervoor zorgt dat er voor de mens wereld is?)

8.

Hoe hij zingt is hij alle woorden voor.

Is die zang voor de bomen een soort beloning?

En als de merelsoort zou verdwijnen, zou je dan met het woord
‘merel’ de merels commemoreren?

9.

Met zijn zang aan taal kan je geen zakendoen.

Met zijn taal aan zang wil hij je niets verkopen.

Met zijn zang en zijn taal wil hij je enkel iets vertellen: dat hij
enkel merel is, wat meer dan een woord, dat hij enkel zingt. Dat hij
is wat zijn zang is.

Misschien was zijn zang er eerst – nog voor de merel een woord
werd.


uit LEERDICHT OVER HET WOORD ‘MEREL’ EN OVER DE MEREL ZELF

Want. We hebben taal op een andere manier leren kennen. Veel zinnen uit je werk wekken bij ons het genoegen dat je alle tuig aan de hemel zijn poëtische baan geeft. Literaire elementen gebruik je dan weer tegen de vanzelfsprekende loop, poëzie dwars, doorheen, inderdaad. Men zou kunnen denken dat je een dromer bent? Of ben je altijd meer denker?
Ik voel me zowel een dagdromer als een doordenker: ze hebben, vrees ik, het onsamenhangende gemeen.
Schrijven is tollen in de taal, derwisj zijn voor de taal, sjamaan. Je laat de woorden dansen in je hoofd en heel je lichaam aan innerlijkheid gaat daarin mee  – sluiten met elkaar een verbond: ze zijn evenveel waard. Terwijl je domweg op je stoel blijft zitten.

‘Poëzie bestaat niet. Maar ze is er wel’ schreef ik ooit. Dat was mijn weerwoord op een bekende uitspraak van Denis Roche: ‘La poésie  est inadmissible. D’ailleurs elle n’existe pas.’- ‘De poëzie is onaanvaardbaar. Trouwens ze bestaat niet’. Tastend, zwoegend en vechtend kwam ik bij het prozagedicht terecht. Het werkte heel verhelderend: ik had met het prozagedicht mijn stilistische constitutie gevonden, taal en lichaam vonden elkaar, werden elkaars gelijke, vielen in elkaars plooien. Daarom dat ik stel dat de taal van de poëzie in de kern lichaamstaal is.

Want. Het hoe en wat van de handbeweging van de dichter kunnen wij niet doorgronden. De onvolmaaktheid hebben we erin gevonden. Dat zij beter is dan volmaaktheid. Dat zij dieper is dan antwoorden. Maar waar heb jij al die jaren van schrijven naar gezocht? Wat heb je kunnen vinden? Is poëzie daarbij een stem die je hoort of de stem die jij spreekt?
Volgens Lacan worden we tweemaal geboren. De eerste keer is dat onze biologische geboorte. De tweede keer is het moment waarop we in de taal worden ingewijd. Dit gebeurt zodra we het eerste woordje hebben uitgesproken. ‘Het’ zegt ‘mama’ en zie eens: ça parle! Een fascinerende gedachte: waar eindigt het zwijgen, waar begint het spreken – de grens, het speelveld daartussen.

Poëzie biedt de mogelijkheid om de zoektocht naar het sublieme te formuleren. Een zoektocht zonder vooruitzicht, zonder begin- of eindpunt: de graal werd ons onthouden. Blijft over: het aanhoudend verlangen ernaar. Vervulling zal er nooit zijn. Maar de betrachting om te volharden in de zoektocht houdt ons alert. Want af en toe valt er toch nog iets verrukkelijks te rapen in het voortdurend in opbouw zijnde gedicht!
Poëzie heeft inderdaad iets met stemmen te maken. Het dialectische manoeuvre heeft zijn weerslag op het ‘ik’ in het gedicht. ‘Ik’, een woord waar ik de pest aan heb. In het soort poëzie dat ik schrijf ontbindt het ‘ik’ zich tot ikjes. Het grote ‘ik’ wordt van zijn sokkel geduwd: het had maar niet een grote bek moeten opzetten.
Het is niet helemaal zo maar het lijkt of het gedicht discontinu is en de indruk wekt van afbrokkeling. Des te meer sinds ik naar het prozagedicht ben overgestapt. Ik ben niet uit op het volmaakte. Ik laat mijn teksten onaf. Het geïmproviseerde, het schetsmatige en het procesmatige liggen me beter. Mijn poëtica is de notitie.

Want. Veel dichters horen een stem en ze doen er niets mee, uit gemakzucht, of uit rebellie –dat kan ook. Jij doet wel iets met taal. Hoeveel vragen heb jij niet vrijwillig gesteld! Antwoorden en hun vluchtig, vervelend leven. Zo eenzaam als een antwoord, zo eenzijdig, zo afgezonderd, zo eenmalig kan geen enkele vraag ooit zijn.Je schreef het zelf.
Vragen boeien me meer dan antwoorden. Daarom was dit interview een kwelling voor me. Antwoorden vallen voorlopig of zelfs onnozel uit. De waarheid die ik zoek is een vraag! En het is niet de taak van de taal om antwoorden te geven op vragen: je kunt er hooguit goede vragen mee formuleren. Nooit correcte antwoorden. De taal moet je zoveel mogelijk met rust laten. Zowel voor de dichter als voor de lezer kan dit frustrerend zijn.

Want. In jouw bundels laat je taal uit haar isolement ontsnappen. Op een gegeven ogenblik wordt Warhoofd opgevoerd. Hij staat voor jouw warhoofd, denk ik daarbij.  Of denk ik dat niet goed?
Ik ben Warhoofd niet! Weldra verschijnt een boek onder de titel Breedschrift met al de teksten die ik de voorbije 25 jaar over het prozagedicht heb geschreven. Daarin wordt het duidelijk dat ik met ‘Warhoofd’ een (taal)figuur heb willen creëren die op zijn beurt uit een amalgaam van personae bestaat. Nee, ik ben Warhoofd niet. Ik ben zoveel meer, ik ben zoveel minder. Warhoofd en ik hebben slechts de onbeduidende en het eenmalige gemeen. Dat hebben we dan weer met iedereen gemeen.

Want. In de malende, kolkende poëzie die je brengt, waarbij wij als lezer niet altijd het hoe en wat van gedachten en gevoelens kunnen doorgronden, blijven hoofd en hart bij elkaar stilstaan. Heb je ook een warhart?
Ik heb soms last van  een kniezend hoofd waarbij mijn hartslag zich dan heftiger laat aanvoelen. Moet je als lezer dit allemaal kunnen doorgronden? Nee, zeg! De lezer doet met het gedicht wat hij wil. Hij kan het op zich laten afkomen. Ervan nemen wat hij tot zich wil nemen. Onder één voorwaarde: hij houdt zich aan de tekst.
Ik kijk niet graag om. Tenminste niet naar wat ik heb geschreven. Wat ik heb geschreven wordt op een dag ongeschreven. Ooit wordt het gedicht schroot. Misschien is dat nu al zo. Bij herlezen overvalt me wel eens een gevoel van schaamte. Ik ben een blijvende dilettant: ik probeer zo goed als mogelijk een dichter te zijn.
Een geliefde, kinderen, vrienden, zon, groen, wat schaduw onder een boom en een flink glas wijn maken het leven mee waardevol. Maar zonder poëzie zou ik me een geamputeerde voelen. Met fantoompijnen.

 

SCHERTSEND MET JE DOCHTER BIJ HET ONTBIJT

Zalig de gelukkige man die je dan wordt. Die je een
ontbijt lang bent.

Als van het lachen je dochter je bij de arm
vastgrijpt, schatert in haar pyjama om je dwaasheid,
je dazen, je flauwekul. Om je moedige melancholie,
je schamele ironie van vlees en bloed, voor haar.

En wat het weer buiten ook moge wezen, die zon,
een hete kop koffie lang, die zon krijgt niemand –
onder geen beding krijgt niemand die zon kapot.

O, de gelukkige man die je bent in de haast van het
ontbijt. (Ach, de haast, de schrik om dat vervloekte
straks.)


uit TWEE DOCHTERS Iets dat niet meer duurt

Want. In de zomer van 2020 verscheen de bundel TWEE DOCHTERS Iets dat niet meer duurt. Over dochter één schrijf je: ‘Een dochter met genen als lege zakken. Ze heeft geen rooie duit aan verstand. Een failliet maar een lief maar een ondoordringbaar kind.’ Over dochter twee schrijf je: ‘Als je blind zou worden, zou dan het aanvoelen van haar hand, zou dat ogenblik je nog iets laten zien?’ Over kindertijd schrijf je: Kindertijd. Geen klok kwam er bij kijken. Met geen tijdsmaat krijg je er nu nog vat op. Het was overal en overal verliep alles, verliep in een tegelijkertijd.
Liefste Alain, deze noodzakelijke inleiding op onze laatste onvermijdelijke vraag aan jou. Zou men alleen als kind moeten kunnen bestaan?
Een kind in ongerepte staat doet niets meer dan leven en dat leven beleven. En dat de kindertijd lang. Een kind beseft nauwelijks dat het bestaat, dat het in de tijd staat. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik bruusk en brutaal uit de kindertijd werd weggesard en dat het daarna nooit meer goed kwam. Al spottend zeg ik wel eens dat volwassenheid meer iets voor ondernemers dan voor dichters is. Wat volwassenheid ontbeert, wat we zijn kwijtgeraakt, daar was poëzie voor mij de compensatie voor.

Poëzie is voor mij één van de weinige plekken waar onbevangen leven nog mogelijk blijkt. Poëzie is een vitale daad. Het is ook een verzetsdaad op het niveau van, alweer, de taal. Dit is één van mijn premissen: poëzie is en blijft voor mij een vorm van dissidentie.

 

LEERDICHT OVER EEN PRACHTIGE DAG

1.

Er was meer licht dan je je had voorgenomen. Mocht je vandaag gestorven
zijn dan was je dood niet menens geweest.

Het was een soort licht waarmee je met haar snelheid weer in een veel
vroeger (of was het een veel later) terechtkwam.

Opgeslorpt door de stilte die er om je heen was, die je werd en mocht
blijven – in wat je er hier over schrijft.

2.

De zon is al wat je hebt gedacht, vandaag.

En al de andere gedachten die je had, had je aan diezelfde zon te danken.

3.

Je stelde vast dat er evenveel licht was als dat er stilte was – en vice versa: zo prachtig zag
de dag eruit, hoorde je de dag aan.

4.

Het was een aangename dag: zomer deed je kosteloos dingen voor. Het
leek of het echt aan het gebeuren was.

Je hoefde niets te doen en toch deed je het: de dagelijkse taken voor
iemand die je liefhebt.

Geen dag doet zo’n prachtige dag na: je schreef wat je eruit aflas.


uit Warhoofds leerdichten 2 
Geplaatst in Interviews.