Wim Meyles – Drie maal daags een vers

Wim Meyles neemt lezers in het ‘ootje’

door Inge Boulonois




Driemaal daags een vers vormt alweer de 26ste bundel van Wim Meyles, de Light Verse Kampioen 2020/2021 van Nederland. Op het voorplat ervan prijkt een aantrekkelijke foto van gezond fruit die de titel kracht bijzet. Het overbekende ‘An apple a day’ maakt hier plaats voor drie verzen per dag, bedoeld als panacee voor hetzij de lezer, hetzij de dichter, hetzij beiden – dat blijft in het midden.

Taalhumorist Wim Meyles is bijzonder productief. Zijn laatste bundels Ietsnut en Ik dicht plezier zagen in 2020 resp. 2019 het licht (zie de recensies Ietsnut en Ik dicht plezier op Meander). Ook het vers geserveerde exemplaar is geen zuinig dun dichtcahier met lucullisch wit. Op de pagina’s prijken soms wel vier komische kwatrijnen. Zoals we van hem gewend zijn, dicht hij over allerlei onderwerpen. De invalshoek is vaak psychologisch, satirisch of absurd. Bovendien beheerst hij een breed spectrum van versvormen. Naast de meer en minder geijkte exemplaren toont zijn 26ste loot een zestal nieuwe, door hemzelf bedachte vormen met suggestieve namen als ‘ootje’ en ‘kortjakje’.

Driemaal daags een vers is geordend naar metrum en versvorm. Hoofdstuk I herbergt jambische gedichten, beslaat grofweg 80 procent van het boek en begint met amuses: kwatrijnen, zonder enige diepgang, vergelijkbaar met een culinaire luchtige appetizer. Een origineel staaltje van een amuse met heerlijke meertalige woordspeligheid is ‘Dessert’.

Haar sabayon au bain marie!
Ik noem haar ‘culinair genie’.
We kletsen wat bij verres de vin,
dan mag ik met Marie au bain.

Daarna volgen de filosoviertjes, dat zijn, aldus Meyles, kwatrijnen mét enige diepgang, zoals ‘Hiernamaals’.

Ik vroeg me af, geloven die Chinezen
ook in een hemel en een opperwezen?
Nee, na de dood geen heil en ook geen boete,
maar eeuwig op de genezijderoute.’

Aan elk onderdeel van een hoofdstuk gaat een ‘tegeltje’ vooraf, een zwart-witillustratie van een vrolijk geparodieerde, doorgaans klassieke tegelwijsheid. De gustibus etc. wordt: ‘Over smaak valt niet te twisten, / dus er zijn ook kunstbloemisten’.

Na de korte versjes volgen dubbele en meervoudige kwatrijnen, sonnetten – zelfs achttienregelige, heroïsche sonnetten – en daarvan afgeleide dichtvormen als sonnettines en snelsonnetten. Van verfrissende nuchterheid getuigt ‘Kerst’ bij de snelsonnetten:

Het lijkt wel of een mens steeds dikker wordt,
geen fijn idee voor kerstmaalhobbyisten.
Een veel gehoorde tip van diëtisen:
gebruik bij uw diner een kleiner bord.

Maar die suggestie lijkt me nogal maf
Dan valt het er aan alle kanten af

Wim Meyles is van alle versificatorische markten thuis, of het nu om een lobbertang, aquarium, spicht, villanelle, copla of trijntje fop gaat. (Een grote collectie dichtvormen is hier te vinden.) Zeer recent bedacht hij maar liefst zes nieuwe versvormen. De formele eigenschappen ervan zijn in de nieuwe boreling beschreven. Kostelijk verrassend vind ik het ‘ootje’, i.e. een kwatrijn waarvan de eerste drie regels een complete, afgeronde gedachte lijken te vormen. Door het enjambement naar regel 4 wordt de lezer heerlijk cru op het verkeerde been gezet.

Wederdienst

De wil van pa en ma was altijd wet.
Ze straften niet met woorden maar met daden.
Ik heb ze in het zonnetje gezet
op hun balkon, bij vijfendertig graden.

Ludiek is ook het ‘kortjakje’, een andere inventie van Meyles. De versmaat is tetrametisch jambisch, het eindrijmschema aaaa bbb cc. Door de krimpende strofe-indeling en het slagrijm leent het kortjakje zich bij uitstek voor een sterke punchline. ‘Wispelturig’ is daar een humoristisch exempel van.

Soms stuurt ze mij een liefdesbrief,
een vrolijk charmeoffensief,
gedraagt ze zich als hartendief,
is ze aanhalig en poeslief.

Maar als de dag haar tegenzat,
verandert zij van woordenschat,
is ze venijnig als een kat.

Dus neem ik altijd bloemen mee,
maar ook een flesje pepperspray.

Een minder geslaagd bedenksel van Meyles is het ‘viertje’ dat mij door de simpele opsomming van rijmende woorden niet aan dichtkunst maar aan een rijmkunstje doet denken.

Hoofdstuk I wordt afgesloten met triotritsen – waarvan er al een aantal in de vorige bundel Ietsnut prijkten – en diverzen, verzen in verschillende vormen. Onder laatstgenoemde staan trouwens ook trijntje fops met acht regels. Eerder, op p. 73 vermeldt Meyles dat fops zes regels hebben. Al was Kees Stip (die onder het pseudoniem Trijntje Fop schreef) uiterst strikt in de jambische tetrameter en tellen zijn meeste fops zes regels, het aantal regels beperkte hij niet tot zes. In Stips Het grote beestenfeest hebben ze soms 4, 8 of zelfs 10 regels.

Hoofdstuk II heeft als titel ‘Gedichten in dactylus en amfibrachys’. (Zie hier voor de meest gebruikte metra.) In het genre van light verse heeft de dactylus vooral door ollekebollekes bekendheid gekregen. Het tweede deel herbergt naast filosoviertjes amuses, ollekebollekes, diverzen en zelfs een copla de arte mayor. De reeks coronagedichten daarna staat weer grotendeels in de jambe.

Zoals in elke plezierdichtbundel zijn niet alle verzen even geestig, al moet je die bij Meyles met een lantaarntje zoeken. Zo ligt de gedachtesprong van ‘in the cloud’ naar ‘in de wolken’ (‘Digileed’) wel erg voor de hand. En ach, iets van andere orde: het dreigt een stokpaardje van me te worden, maar ik mis een inhoudsopgave met de titels van gedichten. De inhoud is opgedeeld naar versvormen.
Dat neemt niet weg dat het volop genieten is van vindingrijke woordspelingen en creatieve neologismen als bedelvaart, feminentie en dododendrons.

Als slot een amfibrachisch filosoviertje, getiteld ‘Slim blondje’.

Het leven is dikwijls een moeizame les
je valt en staat op, hebt meer pech dan succes.
Verstandiger is het model in de dop:
die doet het heel anders: ze staat en valt op.

____

Wim Meyles (2021). Driemaal daags een vers. Elikser Uitgeverij, 165 blz. € 14,95. ISBN 9789463653428

Geplaatst in Recensies.